Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Waardering van het bewijs
4.Het bewijs
5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
anderen vechtenterug.”
datverdachte werd aangevallen door [persoon 3] (terwijl hij probeerde te vertrekken), dat verdachte dat gegeven een rechtvaardiging vond en thans ook nog vindt voor zijn handelen en dat verdachte zijn algemene reactie in bedreigende situaties ‘vechten’ is. De rechtbank is echter juist tot het oordeel gekomen dat voor verdachtes handelen geen rechtvaardiging (meer) bestond. Dat verdachtes handelen het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging waardoor sprake zou zijn van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
6.Motivering van de straffen en maatregel
7.Beslag
8.8. Vorderingen tot schadevergoeding
8.4. Schadevergoedingsmaatregel
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
24 (vierentwintig) maanden.
12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
[persoon 1]toe tot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 mei 2021) tot aan de dag van voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[persoon 2]toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 mei 2021) tot aan de dag van voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[persoon 3]toe tot een bedrag van € 2975,07 (tweeduizend negenhonderdvijfenzeventig euro en zeven cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 mei 2021) tot aan de dag van voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade voor een bedrag van € 975,07 (negenhonderdvijfenzeventig euro en zeven cent) voor kleding en uit immateriële voor een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro).