De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 december 2022 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Białystok. De verdachte werd verdacht van meerdere feiten waarvoor hij in Polen onherroepelijke vrijheidsstraffen had opgelegd gekregen. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn van 90 dagen was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestond voor gevangenhouding.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en de inhoud van het EAB. Voor twee vonnissen was de verdachte niet in persoon verschenen, maar de rechtbank zag geen schending van verdedigingsrechten omdat de verdachte op de hoogte was gesteld en niet adequaat had gereageerd. Voor de andere vonnissen was de verdachte wel in persoon verschenen. De feiten betroffen onder meer afpersing, bedreiging, diefstal met braak en verkeersovertredingen.
De rechtbank oordeelde dat de strafbare feiten voldoen aan de Nederlandse eisen van dubbele strafbaarheid en dat de opgelegde straffen niet onverenigbaar zijn met het Nederlandse recht. De verdachte had bovendien ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland en zou zijn verblijfsrecht niet verliezen door de straf, zodat de rechtbank de overlevering op grond van artikel 6a OLW moest weigeren.
De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland te bevelen. Tot aan de tenuitvoerlegging werd gevangenhouding bevolen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.