ECLI:NL:RBAMS:2022:7444

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 december 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
13/253101-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gelijkstelling en verblijfstitel bij Europees aanhoudingsbevel voor overlevering aan Duitsland

De rechtbank Amsterdam heeft op 8 december 2022 een tussenuitspraak gedaan in een overleveringsprocedure op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Düsseldorf. Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland wegens diefstal met braak. De opgeëiste persoon, geboren en woonachtig in Nederland, beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en een Kroatisch paspoort, maar haar nationaliteit is onduidelijk.

De rechtbank onderzocht of de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, wat vereist is voor overlevering. De verdediging stelde dat gelijkstelling evident is vanwege geboorte en langdurig verblijf in Nederland, terwijl de officier van justitie vond dat onvoldoende is aangetoond dat aan de voorwaarden is voldaan, met name over het ononderbroken rechtmatig verblijf en de verblijfstitel.

Gezien de onduidelijkheid over de verblijfstitel en het bezit van een Kroatisch paspoort besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en de verdediging in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken te overleggen. Tevens werd de officier van justitie verzocht advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te overleggen. De zaak wordt voor 7 januari 2023 opnieuw behandeld.

De rechtbank benadrukte het belang van een zorgvuldige toetsing van de voorwaarden voor gelijkstelling, mede vanwege recente wijzigingen in de Overleveringswet per 1 april 2021. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Onderzoek heropend wegens onduidelijkheid over verblijfstitel en rechtmatig verblijf van opgeëiste persoon in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/253101-22
RK nummer: 22/4451
Datum uitspraak: 8 december 2022
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 oktober 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 augustus 2022 door het
Amtsgericht Düsseldorf(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 november 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn. Het staat vooralsnog niet vast of zij een nationaliteit heeft en, zo ja, welke.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot voorlopige inhechtenisneming door het
Amtsgericht Düsseldorf(Duitsland) van 22 februari 2022 (referentienummer: 137 Gs 63/22).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW; heropening onderzoek

Gelijkstelling
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, kort weergegeven, geen onderbouwd gelijkstellingsverweer gevoerd nu hij van mening is dat evident is dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en daarom geen specifieke onderbouwing hiervan is vereist. De opgeëiste persoon is geboren in Nederland en woont al haar hele leven in Nederland. Het feit dat zij geen nationaliteit heeft doet hier niet aan af. De raadsman stelt dat de opgeëiste persoon al haar hele leven een verblijfsvergunning heeft in Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon vooralsnog niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de verdediging moet in dat geval aantonen dat aan de materiële eisen is voldaan om gelijkgesteld te kunnen worden met een Nederlander. Dit heeft de verdediging niet gedaan. Niet duidelijk is op welke titel zijn in Nederland heeft verbleven.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat deze niet zijn of haar recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan als de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat zij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en aldus een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Op basis van het dossier kan de rechtbank het volgende vaststellen.
- Uit de informatiestaat SKDB blijkt dat de opgeëiste persoon op 11 maart 2003 in Nederland is geboren en sinds die tijd doorlopend op hetzelfde adres in de Basisregistratie personen (Brp) ingeschreven heeft gestaan. Dit is het adres [adres]. Tevens blijkt dat de opgeëiste persoon in ieder geval ten tijde van de zitting in deze overleveringsprocedure over een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beschikte (op grond van artikel 8 onder Pro a, Vreemdelingenwet 2000) waarvan de geldigheid op 11 maart 2023 verloopt.
- Tegenover de rechter-commissaris heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zij over een vreemdelingenpaspoort en een Kroatisch paspoort beschikt. Dit laatste document is in het kader van de voorwaarden waaronder de bewaring is geschorst aan justitie verstrekt. Uit de scan van het paspoort, die in het dossier is gevoegd, blijkt dat dit paspoort geldig is tot 11 juli 2027.
De rechtbank deelt niet het oordeel van de raadsman dat een nadere onderbouwing van het ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland niet noodzakelijk is, omdat dit voor zich spreekt. Met het bovenstaande is nog niet aangetoond dat de opgeëiste persoon aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling voldoet.
Gelet op de specifieke situatie van de opgeëiste persoon, die in Nederland geboren en getogen is, altijd in Nederland ingeschreven heeft gestaan op het adres van haar ouders, zich in een situatie bevindt die voor haar zelf ook niet aanstonds duidelijk is, terwijl bovendien de Overleveringswet ten aanzien van haar situatie per 1 april 2021 is gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding om in dit geval een uitzondering te maken op – overigens onverkort geldende - vaste lijn van deze rechtbank, dat het ononderbroken rechtmatig verblijf tijdens het verhoor moet worden aangetoond en dat de onderbouwende stukken in beginsel uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting moeten worden overgelegd.
De rechtbank zal het onderzoek heropenen om de opgeëiste persoon alsnog in de gelegenheid te stellen stukken aan de rechtbank te over te leggen waaruit blijkt dat zij voldoet aan de hierboven genoemde eerste voorwaarde.
In het bijzonder bestaat er naar het oordeel van de rechtbank nog te veel onduidelijkheid over de titel op basis waarvan de opgeëiste persoon in Nederland heeft verbleven, terwijl zij geen geregistreerde nationaliteit heeft in Nederland. Is eerder sprake geweest van een verblijf op grond van een verblijfsvergunning, of was (steeds) sprake van een verblijf als Unieburger? Nu de opgeëiste persoon te kennen heeft gegeven dat zij in het bezit is van een Kroatisch paspoort, waarvan zich tevens een scan in het dossier bevindt, komt daarbij ook de vraag op, op welke grond dit Kroatische paspoort aan de opgeëiste persoon is verstrekt. Het is voor nu niet duidelijk of de opgeëiste persoon altijd al de Kroatische nationaliteit heeft gehad en dit is bevestigd door middel van het uitreiken van een paspoort of dat de situatie zich voordoet dat de opgeëiste persoon de Kroatische nationaliteit heeft verkregen vanaf het moment van ontvangst van het paspoort.
Samenvattend dienen in ieder geval de volgende vragen, onderbouwd, te worden beantwoord door de verdediging:
  • (I) Heeft de opgeëiste persoon voorafgaand aan haar huidige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ook al over een dergelijke verblijfsvergunning beschikt? En over welke periodes?
  • (II) Zo nee, welk verblijfsrecht heeft zij voorafgaand aan haar huidige verblijfsvergunning gehad? En op welke grond en voor welke periodes? Was er bijvoorbeeld sprake van een afgeleid verblijfsrecht van haar ouders, althans een eigen recht op verblijf bij ouders?
- ( (III) De opgeëiste persoon heeft een Kroatisch paspoort. Is dat paspoort een bevestiging van haar Unieburgerschap vanaf haar geboorte, is dat paspoort het gevolg van naturalisatie, of zijn er misschien andere redenen waarom zij over dit paspoort beschikt?
Omwille van de voortgang van de procedure verzoekt de rechtbank de officier van justitie ten slotte om ten behoeve van de derde voorwaarde voor gelijkstelling een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te overleggen. De IND kan in dat verband mogelijk ook nadere informatie verschaffen omtrent het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon. Tevens wordt de officier van justitie verzocht om de reeds opgevraagde terugkeergarantie in het dossier te voegen voor het geval dat de rechtbank naar aanleiding van de nadere zitting tot het oordeel komt dat aan alle voorwaarden voor gelijkstelling is voldaan.

6.Beslissing

  • HEROPENThet onderzoek ter zitting;
  • SCHORSThet onderzoek ter zitting
    voor onbepaalde tijdom de verdediging in de gelegenheid te stellen stukken aan de rechtbank over te leggen ter onderbouwing dat aan de eerste onder 5. genoemde voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan en de onder 5. geformuleerde vragen
    onderbouwd met stukkente beantwoorden;
-
BEPAALTdat de zaak vóór 7 januari 2023 op zitting wordt aangebracht;
-
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Bouwmeester, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 8 december 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.