ECLI:NL:RBAMS:2022:7146

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
2 december 2022
Zaaknummer
C/13/679791 / HA ZA 20-199
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking vorderingen in vrijwaringszaak tussen BinckBank en gedaagde

In deze civiele vrijwaringszaak tussen BinckBank N.V. en gedaagde stond de vraag centraal wie de proceskosten moest dragen nadat BinckBank haar vorderingen had ingetrokken. De hoofdzaak, waarin Stichting Vermogensreparatie Ad Rem en belanghebbenden vorderingen tegen BinckBank hadden ingesteld, was op gezamenlijk verzoek doorgehaald. Ook de vrijwaringszaak werd doorgehaald na een schikking met een andere partij.

BinckBank had haar vorderingen jegens gedaagde verminderd tot nihil. Gedaagde stelde daarop diverse tegenvorderingen, waaronder betaling van proceskosten en een verklaring voor recht dat BinckBank misbruik van recht had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat deze tegenvorderingen te laat waren ingesteld, ruim twee jaar na aanvang van de procedure, en daarom in strijd waren met de eisen van een goede procesorde.

De rechtbank liet de tegenvorderingen buiten beschouwing en veroordeelde BinckBank tot betaling van proceskosten aan gedaagde, begroot op €1.477,00, en tot vergoeding van nakosten. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiermee werd duidelijk dat ondanks intrekking van de hoofdvorderingen BinckBank aansprakelijk bleef voor de door gedaagde gemaakte proceskosten.

Uitkomst: BinckBank wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en nakosten aan gedaagde na intrekking van haar vorderingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/679791 / HA ZA 20-199
Vonnis van 16 november 2022
in de zaak van
de naamloze vennootschap
BINCKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. J.A. Voerman te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk.
Partijen worden hierna BinckBank en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 8 juli 2020, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 november 2021 en de daarin genoemde stukken,
  • de akte houdende eisvermindering tot nihil van BinckBank,
  • de antwoordakte tevens houdende akte wijziging en vermeerdering van eis (proceskosten) van [gedaagde] , met één productie,
  • de antwoordakte van BinckBank.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.Het geschil en de beoordeling

2.1.
Bij dagvaarding van 9 september 2019 hebben Stichting Vermogensreparatie Ad Rem (hierna: de stichting), de heren [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (hierna: gezamenlijk: [belanghebbenden] ) – hoofdzakelijk – twee vorderingen tegen BinckBank ingesteld. De eerste vordering betrof een verklaring voor recht dat BinckBank was tekortgeschoten in de nakoming van haar buitencontractuele zorgverplichtingen jegens de door de stichting vertegenwoordigde beleggers en aansprakelijk is voor alle door elk van hen als gevolg daarvan geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De tweede vordering betrof een veroordeling van BinckBank tot vergoeding van alle door [belanghebbenden] geleden schade. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer / rolnummer C/13/672918 / HA ZA 19-1032 (hierna: de hoofdzaak).
2.2.
De bij dagvaarding door BinckBank ingestelde hoofdvordering in de onderhavige vrijwaringszaak zag – samengevat – op veroordeling van de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [gedaagde] tot betaling van het bedrag waartoe BinckBank in de hoofdzaak zou worden veroordeeld.
2.3.
Op gezamenlijk verzoek van partijen in de hoofdzaak, is de hoofdzaak op 6 juli 2022 doorgehaald op de rol.
2.4.
BinckBank heeft in deze vrijwaringszaak een schikking getroffen met [naam 4] . Om die reden is de vrijwaringszaak tussen hen eveneens op 6 juli 2022 doorgehaald op de rol.
2.5.
BinckBank heeft haar vorderingen in deze vrijwaringszaak bij akte verminderd tot nihil.
2.6.
[gedaagde] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd en heeft daarin – samengevat – de volgende vorderingen tegen BinckBank ingesteld:
primair:
I. veroordeling van BinckBank tot betaling van € 45.041,16 aan door hem gemaakte proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
subsidiair:
II. een verklaring voor recht dat BinckBank jegens hem misbruik van recht heeft gemaakt dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld
III. veroordeling van BinckBank tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
meer subsidiair:
IV. veroordeling van BinckBank in de proceskosten conform het liquidatietarief alsmede in de nakosten.
2.7.
BinckBank heeft verweer gevoerd. Volgens BinckBank moeten de proceskosten overeenkomstig het liquidatietarief worden begroot en dient al het meerdere te worden afgewezen.
2.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] de onder 2.6 weergegeven vorderingen pas heeft ingesteld nadat BinckBank haar vorderingen in de vrijwaringszaak had verminderd tot nihil. Op dat moment liep de procedure al ruim twee jaar. Daarbij komt dat de omstandigheden waarop [gedaagde] zijn vorderingen thans baseert, niet nieuw zijn. [gedaagde] betoogt – samengevat – namelijk dat BinckBank een vordering tegen hem heeft ingesteld op basis van feiten waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen en op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Gelet op dit betoog van [gedaagde] valt niet in te zien waarom hij zijn huidige (tegen)vorderingen niet in een (veel) eerder stadium van de procedure heeft ingesteld, bijvoorbeeld bij conclusie van antwoord. Op dat moment had [gedaagde] namelijk kennisgenomen van de dagvaarding van BinckBank en wist hij op welke feiten BinckBank haar vordering tegen hem had gebaseerd en welke stellingen zij daarover had ingenomen. Hij zou bij conclusie van antwoord dan ook de huidige (tegen)vorderingen hebben kunnen instellen, die hij nu pas bij zijn – ruim twee jaar latere – antwoordakte heeft ingesteld. Gelet op dit alles acht de rechtbank de vorderingen van [gedaagde] in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal die daarom buiten beschouwing laten.
2.9.
Ten overvloede wordt het volgende overwogen. Voor zover de vorderingen van [gedaagde] worden begrepen als tegenvorderingen, geldt dat uit artikel 137 Rv Pro volgt dat tegenvorderingen dadelijk bij conclusie van antwoord moeten worden ingesteld. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Hij heeft zijn tegenvorderingen pas ingesteld bij antwoordakte, nadat BinckBank haar vorderingen had verminderd tot nihil. [gedaagde] had ruim twee jaar daarvoor zijn conclusie van antwoord al genomen. Indien de rechtbank de tegenvorderingen van [gedaagde] thans wél zou hebben behandeld, zou het (veel) te laat instellen van die vorderingen tot gevolg hebben gehad dat hij daarin niet-ontvankelijk zou zijn verklaard.
Kosten
2.10.
De rechtbank acht een proceskostenveroordeling van BinckBank op zijn plaats, omdat zij [gedaagde] in een procedure heeft betrokken en [gedaagde] als gevolg daarvan kosten heeft moeten maken. Daarbij wordt echter uitgegaan van de landelijk vastgestelde (liquidatie)tarieven. Verder wordt het salaris van de advocaat berekend op basis van één punt in plaats van twee punten, omdat daarmee wordt verdisconteerd dat BinckBank door toedoen van [gedaagde] nodeloos een antwoordakte moest opstellen. De proceskosten van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:
  • griffierecht: € 914,00
  • salaris advocaat:
  • totaal: € 1.477,00
2.11.
De nakosten worden begroot en ambtshalve toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verstaat dat de onder 2.6 weergegeven vorderingen van [gedaagde] geen behandeling behoeven,
3.2.
veroordeelt BinckBank in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.477,00,
3.3.
veroordeelt BinckBank in de na dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] ontstane nakosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en BinckBank niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,
3.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. A.J. Scheijde, J.W. Bockwinkel en M. Haentjens, rechters, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2022.