ECLI:NL:RBAMS:2022:7109
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag wegens ondeugdelijkheid vordering uit vaststellingsovereenkomst
In deze zaak vordert eiser de opheffing van conservatoir beslag dat door gedaagde is gelegd op een pand waarvan eiser eigenaar is. Het beslag is gelegd vanwege een vordering van gedaagde op eiser uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.
De kern van het geschil betreft de uitleg en rechtsgeldigheid van deze vaststellingsovereenkomst, met name artikel 7 waarin Pro staat dat partijen geen rechten kunnen ontlenen aan een huurovereenkomst, en artikel 12 dat Pro een boete stelt bij schending van verplichtingen uit de overeenkomst. Gedaagde stelt dat eiser door een procedure te starten over de huurovereenkomst deze verplichting heeft geschonden en daarmee de boete heeft verbeurd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat artikel 7 geen Pro duidelijke verplichting bevat die een boete kan rechtvaardigen bij het aanvechten van rechten uit de huurovereenkomst. Er is summierlijk gebleken dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd ondeugdelijk is. Daarnaast wegen de belangen van eiser bij opheffing van het beslag zwaarder dan die van gedaagde, mede omdat gedaagde niet aan betalingsverplichtingen voldoet en het risico op schade door onterecht beslag aanzienlijk is.
De rechtbank heft het beslag op, veroordeelt gedaagde in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het conservatoir beslag op het pand wordt opgeheven wegens summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering.