ECLI:NL:RBAMS:2022:7006

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 augustus 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
13/751949-20
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6a OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek Europees aanhoudingsbevel wegens mogelijk gelijkstellingsverweer

De Rechtbank Amsterdam behandelde op 28 juli 2022 het verzoek tot overlevering van een persoon uit Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Circuit Court in Łódź. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 2 jaar en 9 maanden waarvan nog circa 1 jaar en 2 maanden resteert. De opgeëiste persoon werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen.

De raadsman van de opgeëiste persoon voerde een weigeringsgrond aan op basis van artikel 12 OLW Pro, omdat de verdediging in hoger beroep niet in persoon was verschenen en oproepen niet naar de opgeëiste persoon waren gestuurd. De rechtbank concludeerde echter dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg wel aanwezig was en dat de oproepen naar het adres van de raadsman en de opgeëiste persoon waren verzonden. De rechtbank oordeelde dat er geen schending van verdedigingsrechten was en verwierp dit verweer.

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit op de lijst van bijlage 1 OLW staat, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Vervolgens overwoog de rechtbank dat de opgeëiste persoon mogelijk in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a OLW, omdat hij sinds 2016 in Nederland verblijft en hij stukken kon tonen ter onderbouwing hiervan. Omdat dit verweer niet door de raadsman was gevoerd en dit niet aan de opgeëiste persoon te wijten is, besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen om de opgeëiste persoon alsnog in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen.

De rechtbank schorst het onderzoek onbepaalde tijd en beveelt nieuwe oproepingen van de opgeëiste persoon en een Poolse tolk. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Rechtbank heropent onderzoek en schorst het in afwachting van stukken ter onderbouwing van gelijkstelling met Nederlander.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751949-20
RK nummer: 21/3986
Datum uitspraak: 11 augustus 2022
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 juli 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 juli 2020 door de
Circuit Court in Łódź(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 juli 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW Pro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgement passed by the Circuit Court in Łódź(Polen) van 3 december 2015 (IV K 165/14), welke in stand is gehouden in hoger beroep op 10 mei 2016 bij de
Court of Appeal Łódź(Polen) (referentie: II AKa 77/16).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 9 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 1 maand en 26 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de raadsman die hem vertegenwoordigde in hoger beroep niet aanwezig was ter zitting. Bovendien zijn de oproepen voor het hoger beroep niet naar de opgeëiste persoon gestuurd, zodat overlevering een schending van de verdedigingsrechten in zou houden.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het hoger beroep sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW.
Oordeel van de rechtbank
Uit de aanvullende informatie van 22 juli 2022 leidt de rechtbank af dat de zaak in hoger beroep bij de de
Court of Appeal Łódźin feite en in rechte ten gronde is behandeld (de rechtbank verwijst naar HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas)). Alleen de procedure in hoger beroep bij de
Court of Appeal Łódźop 10 mei 2016 valt daarom onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Blijkens het EAB was de opgeëiste persoon in persoon aanwezig ter zitting in eerste aanleg. In de aanvullende informatie van 22 juli 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat de opgeëiste persoon een raadsman heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Deze raadsman heeft namens de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW is volgens de rechtbank echter geen sprake, nu de raadsman op de zitting in hoger beroep niet aanwezig was en daar dus niet daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Wel zijn de oproepen voor het hoger beroep blijkens diezelfde aanvullende informatie naar het kantooradres van de gemachtigde raadsman, én naar het adres dat de opgeëiste persoon heeft doorgegeven, verstuurd. De opgeëiste persoon is voorafgaande aan het eerste verhoor bovendien gewezen op de verplichting tot het doorgeven van adreswijzigingen en de consequenties wanneer hij dat nalaat.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat overlevering voor het vonnis in deze situatie geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte dat er een strafproces tegen hem liep en voor welke strafbare feiten – hij was aanwezig op de zitting in eerste aanleg – en heeft een raadsman gemachtigd om hoger beroep in te stellen. De oproepen voor het hoger beroep zijn ook naar de opgeëiste persoon zelf gestuurd. Naar oordeel van de rechtbank lag het daarom op de weg van de opgeëiste persoon om alert te blijven en te informeren over de verdere verloop van de strafprocedure tegen hem, al dan niet bij zijn gemachtigde raadsman. De rechtbank ziet het op zijn minst genomen als een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van de opgeëiste persoon dat hij dit niet heeft gedaan. Bovendien is de opgeëiste persoon ook kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie, nu dit naar een door hem opgegeven adres is verstuurd.
De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een aan hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Met betrekking tot de gelijkstelling van de opgeëiste persoon overweegt de rechtbank als volgt.
Naar vaste jurisprudentie van deze rechtbank is het de verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon om het gestelde ononderbroken rechtmatige verblijf tijdig en onderbouwd aan te tonen.
Voor de rechtbank is het evident dat er een gelijkstellingsverweer kan worden gevoerd door de raadsman van de opgeëiste persoon. Dit is echter nagelaten. Desgevraagd heeft de raadsman ter zitting verklaard dat hij de rechtbank niet van stukken ter onderbouwing van de gelijkstelling kan voorzien, hoewel op diezelfde zitting is gebleken dat de opgeëiste persoon wél de nodige stukken kan overleggen. De opgeëiste persoon heeft hier naar eigen zeggen geen contact over gehad met de raadsman.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de mogelijke slagingskans van een gelijkstellingsverweer voor de opgeëiste persoon – hij is immers al sinds 2016 in Nederland, hij heeft de rechtbank ter zitting desgevraagd voor dit verweer relevante stukken kunnen tonen en heeft daarmee een begin van onderbouwing gemaakt – en gelet op het feit dat de rechtbank van oordeel is dat het in het onderhavige geval niet (mede) aan de opgeëiste persoon te wijten is dat is verzuimd dit verweer te voeren, het onderzoek dient te worden heropend om de opgeëiste persoon alsnog in de gelegenheid te stellen stukken aan de rechtbank te overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet aan de twee hierboven genoemde voorwaarden.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor
onbepaalde tijdom de opgeëiste persoon in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 5. genoemde stukken – uiterlijk één week voor de volgende zittingsdatum en via zijn raadsman – over te leggen aan de rechtbank.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en C.M. Delstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 11 augustus 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.