Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Regional Court in Poznań(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
cumulative judgmentvan 8 februari 2017 van de
District Court in Nowy Tomyśl(referentie: II K 415/16).
cumulative judgementvan de
District Court in Nowy Tomyśl(Polen) van 16 maart 2016 (referentie: II K 792/18) en
judgementvan de
District Court in Nowy Tomyśl(Polen) van 12 februari 2016 (referentie: II K 576/15).
judgementvan de
District Court in Grodzisk Wielkopolski, 7th criminal division branch in Nowy Tomyślvan 23 mei 2013 (referentie: VII K 411/13);
judgementvan de
District Court in Grodzisk Wielkopolski, 7th criminal division branch in Nowy Tomyślvan 3 oktober 2014 (referentie: VII K 402/14) en
judgementvan de
District Court in Nowy Tomyślvan 28 oktober 2015 (referentie: II K 594/15).
Zdziaszek, ECLI:EU:C:2017:629). De rechtbank zal de verschillende vonnissen daarom toetsen aan de vereisten van artikel 12 OLW Pro.
- Is de opgeëiste persoon in het vooronderzoek ten aanzien van de vonnissen VII K 411/13 en VII K 402/14 gewezen op de consequenties wanneer hij niet zou voldoen aan de verplichting adreswijzigingen door te geven?
- Op welke data zijn de oproepen voor de zittingen die hebben geleid tot de vonnissen VII K 411/13 en VII K 402/14 aan de opgeëiste persoon verstuurd?
wanneerde opgeëiste persoon deze oproep heeft ontvangen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW, is het van belang dat de opgeëiste persoon de oproep ook
tijdigheeft ontvangen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de volgende vraag te (laten) stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
4.Beslissing
SCHORSThet onderzoek voor
onbepaalde tijd –met dien verstande dat de zaak voor het verstrijken van de beslistermijn (te weten: 6 september 2022) opnieuw op zitting moet worden gebracht – om de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.