ECLI:NL:RBAMS:2022:6470

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
13/751543-20
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan Europees aanhoudingsbevel voor overlevering aan Polen ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 oktober 2022 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 11 december 2019. De verdachte werd verdacht van diefstal en het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 1 jaar en 5 maanden, waarvan nog ruim een jaar restte.

De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat onduidelijk was welke procedure (eerste aanleg of hoger beroep) aan het EAB ten grondslag lag en of de verdachte in beide procedures voldoende was gehoord. De officier van justitie stelde dat alleen de procedure in hoger beroep relevant was en dat de verdachte daar in persoon aanwezig was geweest.

De rechtbank oordeelde dat zowel de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro getoetst moesten worden, omdat niet kon worden vastgesteld dat in hoger beroep definitief over schuld was geoordeeld. Uit het dossier bleek dat de verdachte in eerste aanleg niet aanwezig was, maar wel officieel op de hoogte was gesteld van de procedure, waardoor artikel 12 OLW Pro niet tot weigering leidde. In hoger beroep was de verdachte wel in persoon aanwezig geweest, waardoor ook daar artikel 12 OLW Pro niet van toepassing was.

De rechtbank stelde vast dat de feiten waarvoor overlevering werd verzocht, onder Nederlandse wetgeving als diefstal kwalificeren en dat aan de vereisten van dubbele strafbaarheid werd voldaan. Er waren geen andere weigeringsgronden en het EAB voldeed aan de formele eisen. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de resterende straf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751543-20
RK nummer: 20/3123
Datum uitspraak: 1 november 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2019 door
the Circuit Court in Gorzów Wlkp. 2nd Criminal Department(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 oktober 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Engwegen, advocaat te Echt, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW Pro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgement by the Provincial Court in Międzyrzeczvan 24 mei 2017 met referentie
II K 480/16. In hoger beroep is bij arrest van
the Circuit Court in Gorzów Wlkpvan 21 november 2017, met referentie
IV Ka 569/17de opgelegde vrijheidsstraf gewijzigd.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 5 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 4 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijk is van welk van de bovengenoemde beslissingen precies de tenuitvoerlegging gevraagd wordt. Hoewel in onderdeel b) van het EAB slechts melding wordt gemaakt van het vonnis van
the Provincial Court in Międzyrzeczvan 24 mei 2017, verwerpt de rechtbank dit verweer, nu in onderdeel d) van het EAB duidelijk is vermeld dat de vrijheidsstraf zoals die hierboven is benoemd, is opgelegd bij het arrest van 21 november 2017.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangegeven dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd, nu uit het dossier niet duidelijk blijkt welke informatie hoort bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg en welke informatie bij de behandeling in hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat in dit geval in hoger beroep definitief is geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon en de straf, waardoor ingevolge de vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie alléén de procedure in hoger beroep dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. [1] In hoger beroep is de opgeëiste persoon, met zijn advocaat, in persoon aanwezig geweest. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is dan ook niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Uit het EAB volgt dat in hoger beroep definitief is geoordeeld over de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf. Op basis van de stukken, waaronder de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 september 2022, kan de rechtbank echter niet vaststellen dat in hoger beroep tevens definitief is geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon. Nu de beslistermijn reeds is verstreken ziet de rechtbank geen ruimte om daarover nadere vragen stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank zal derhalve zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro. [2]
Ten aanzien van de procedure in eerste aanleg is in onderdeel d) van het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Voorts is onderdeel 3.1b aangekruist, waarin is vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is gedagvaard maar anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en plaats van het proces zodat op ondubbelzinnige wijze vast staat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. De rechtbank stelt dan ook vast dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW aan de orde is. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van de procedure in hoger beroep blijkt uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 september 2022 dat de opgeëiste persoon in persoon, samen met zijn advocaat, aanwezig is geweest bij de behandeling van de zaak op 21 november 2017. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro is daarom ook niet van toepassing voor de procedure in hoger beroep.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
t.a.v. feit 1 en 2:
telkens: diefstal
t.a.v. feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
t.a.v. feit 4:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Gorzów Wlkp. 2nd Criminal Department(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en J. van Zijl, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 november 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Hof van Justitie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628.
2.Hof van Justitie 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628.