Eiser, werkzaam als [functie], meldde zich ziek na een bedrijfsongeval waarbij hij bekneld raakte in een machine. Na een langdurige ziekteperiode en onvoldoende re-integratie, vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze af omdat hij volgens de functionele mogelijkhedenlijst (FML) slechts voor 34% arbeidsongeschikt was, onder de wettelijke grens van 35%.
Eiser maakte bezwaar en voerde aan volledig arbeidsongeschikt te zijn door fysieke, psychische en sociale problemen, waaronder pijnklachten en ernstige psychische problemen. Het UWV liet een nieuwe beoordeling uitvoeren, waarbij de arbeidsongeschiktheid opnieuw onder de 35% werd vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het UWV de beoordeling zorgvuldig had uitgevoerd, mede op basis van uitgebreid medisch onderzoek door diverse specialisten van [bedrijf 2]. De klachten van eiser waren deels medisch niet objectiveerbaar, wat wettelijk vereist is voor een WIA-uitkering. Er was geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De arbeidsdeskundige weerlegde de bezwaren van eiser over de uitvoerbaarheid van bepaalde functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af en bevestigde daarmee de afwijzing van de WIA-uitkering.