ECLI:NL:RBAMS:2022:6380

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2022
Publicatiedatum
4 november 2022
Zaaknummer
22/1248
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens schending hoorplicht bij naheffingsaanslag parkeerbelasting

Op 21 augustus 2021 werd de auto van eiser geparkeerd zonder betaling van parkeergeld, waarop de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting oplegde. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.

De rechtbank beperkte het geschil tot de vraag of de hoorplicht door de heffingsambtenaar was geschonden. De heffingsambtenaar stelde dat afzien van horen gerechtvaardigd was omdat het bezwaar kennelijk ongegrond zou zijn. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was, mede omdat eiser expliciet had aangegeven gehoord te willen worden en aanvullende beroepsgronden wilde aanvoeren.

De rechtbank concludeerde dat de hoorplicht was geschonden en dat dit niet zonder gevolgen kon blijven. Omdat eiser hierdoor in zijn belangen was geschaad, werd het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuwe beslissing na hoorzitting. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/1248

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te Utrecht, eiser

(gemachtigde: mr. A. Khadri),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amstelveen, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Smits).

Procesverloop

Op 26 augustus 2021 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met een uitspraak op bezwaar van 8 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2022. Eiser en de heffingsambtenaar hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van de heffingsambtenaar is samen met [de persoon 1] , parkeerregisseur en [de persoon 2] verschenen.

Overwegingen

1. Op 21 augustus 2021 om 14.52 uur stond de auto van eiser met het kenteken
[kenteken] op de [locatie] te Amstelveen, terwijl geen parkeergeld was betaald. De heffingsambtenaar heeft daarom aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2. Op de zitting is gebleken dat het geschil zich beperkt tot de vraag of de hoorplicht is geschonden door de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar wijst erop dat op grond van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is, hetgeen hier volgens de heffingsambtenaar het geval is.
3. De rechtbank overweegt het volgende. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf meteen blijkt dat het bezwaar van de indiener ongegrond is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. De bezwaarprocedure behelst een algehele heroverweging van het bestreden besluit. Met de mogelijkheid om af te zien van het horen op grond van kennelijke ongegrondheid dient dan ook uiterst terughoudend te worden omgegaan. Eiser heeft aangegeven zijn beroepsgronden aan te willen vullen bij een hoorzitting. Bovendien heeft eiser meerdere keren uitdrukkelijk aangegeven dat hij gehoord wilde worden, namelijk in zijn bezwaarschrift van 10 september 2021 en in de ingebrekestelling van 8 januari 2022. Eiser heeft in zijn ingebrekestelling expliciet aangegeven niet af te zien van het recht om te worden gehoord en gevraagd om een dagbepaling voor een telefonische hoorzitting. De rechtbank kan de heffingsambtenaar dan ook niet volgen in zijn standpunt ter zitting dat hij de aanvullende gronden wilde afwachten om vervolgens te bepalen of een hoorzitting nodig was. De heffingsambtenaar heeft niet voor de hoorzitting kunnen vaststellen dat er voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb en had eiser moeten uitnodigen voor een hoorzitting. De rechtbank is daarom van oordeel dat de hoorplicht is geschonden.
4. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden welke gevolgen de schending van de hoorplicht heeft. De rechtbank kan oordelen dat aan de schending van de hoorplicht voorbij wordt gegaan als eiser daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Vanwege de wezenlijke betekenis die het horen voor de bezwaarprocedure heeft, is daarvan niet snel sprake. De rechtbank is niet gebleken dat eiser niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Eiser heeft bovendien op de zitting nadrukkelijk verzocht de zaak terug te verwijzen naar de bezwaarfase om alsnog te worden gehoord.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigen wegens schending van de hoorplicht. De heffingsambtenaar zal eiser alsnog moeten horen en vervolgens een nieuwe uitspraak op het bezwaar moeten nemen.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). De wegingsfactor voor een zaak van gemiddeld gewicht is 1. Een lichter of zwaarder gewicht van een zaak moet worden gemotiveerd. De rechtbank overweegt dat in deze procedure enkel is geoordeeld over de hooplicht en er geen inhoudelijke gronden zijn aangevoerd tegen de naheffingsaanslag. Hiermee is de zaak van een lager dan gemiddeld gewicht en acht de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 redelijk.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • draagt de heffingsambtenaar op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoedt;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Bosma, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.