De ouders van een minderjarige hebben verzocht om herstel in het gezag over hun kind, nadat het gezag in 2020 was beëindigd en de voogdij aan een gecertificeerde instelling (GI) was toegewezen. De minderjarige heeft sinds 2009 meerdere ondertoezichtstellingen gehad en is op diverse locaties uit huis geplaatst geweest, wat heeft geleid tot aanzienlijke psychische schade.
De ouders stellen dat het in het belang van de minderjarige is dat zij het gezag terugkrijgen, omdat de minderjarige inmiddels thuis woont, weer naar school gaat en de ouders duurzaam de verzorging en opvoeding kunnen dragen. De GI betwist dit en benadrukt de noodzaak van intensieve behandeling en begeleiding door een professionele instantie, mede vanwege de persoonlijke problematiek van de ouders en de complexe relatie met de minderjarige.
De rechtbank concludeert dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat de huidige situatie, waarbij de GI het gezag uitoefent, het meest passend is. Ondanks de positieve ontwikkelingen acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat de ouders zelfstandig de benodigde zorg kunnen bieden. Daarom wordt het verzoek tot herstel in het gezag afgewezen.