ECLI:NL:RBAMS:2022:6053

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2022
Publicatiedatum
24 oktober 2022
Zaaknummer
9832094 / CV EXPL 22-5573
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:160 BWArt. 6:119 BWArt. 843a Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering management fee en bestuurdersaansprakelijkheid na aandelenverkoop

Eiseres, een besloten vennootschap, vorderde betaling van een management fee van gedaagde vennootschappen en stelde bestuurdersaansprakelijkheid vast. De feiten betreffen een managementovereenkomst, facturering van management fees, een aandelenverkoop voor een symbolisch bedrag, en een latere verkoop van de aandelen tegen een hogere prijs.

De rechtbank oordeelt dat eiseres afstand heeft gedaan van haar management fee op basis van een mondelinge afspraak bevestigd in een e-mail, waardoor zij geen recht meer heeft op betaling van de management fee of openstaande rekening-courant. De vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid faalt omdat niet is gebleken dat de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden.

Ook de subsidiaire vorderingen tot betaling van een percentage van de verkoopopbrengst en afgifte van documenten worden afgewezen wegens gebrek aan rechtmatig belang en onvoldoende feiten. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. De uitspraak is gewezen door kantonrechter H.J. Schaberg.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht
Zaaknummer en rolnummer: 9832094 / CV EXPL 22-5573
Uitspraak: 21 oktober 2022
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde mr. M. van Zijtveld,
t e g e n
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1.
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagden,
gemachtigde mr. J.R. de Jong.
Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden] genoemd.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 april 2022, met producties,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • het tussenvonnis van 18 juli 2022 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
  • de op 29 augustus 2022 ingekomen akte overleggen producties en vermeerderen van eis van [eiseres] ,
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 september 2022 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] .
2.2.
[naam 2] (hierna: [naam 2] ) is bestuurder van [gedaagde 2] . [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is bestuurder van [naam bedrijf 1] B.V. (hierna: [naam bedrijf 1] ).
2.3.
[gedaagde 2] en [naam bedrijf 1] zijn bestuurders en aandeelhouders van [naam bedrijf 2] B.V. (hierna: [naam bedrijf 2] ).
2.4.
Op 26 mei 2014 is [gedaagde 1] opgericht. [eiseres] hield 49% van de aandelen, [naam bedrijf 2] hield de overige 51%. [gedaagde 1] exploiteert een horecagelegenheid. [eiseres] was bestuurder van [gedaagde 1] .
2.5.
Op 30 juni 2019 heeft [eiseres] € 36.300,00 aan management fee aan [gedaagde 1] gefactureerd. [gedaagde 1] heeft daarvan € 15.050,00 onbetaald gelaten.
2.6.
Op 3 juli 2020 heeft [eiseres] € 12.100,00 aan management fee aan [gedaagde 1] gefactureerd. [gedaagde 1] heeft daarvan € 10.100,00 onbetaald gelaten.
2.7.
[eiseres] heeft op 22 september 2020 haar aandelen in [gedaagde 1] voor € 1,00 aan [naam bedrijf 2] verkocht. Daarmee werd [naam bedrijf 2] enig aandeelhouder van [gedaagde 1] .
2.8.
Diezelfde dag is [eiseres] bij aandeelhoudersbesluit ontslagen als bestuurder van [gedaagde 1] . Bij dat aandeelhoudersbesluit is tevens [gedaagde 2] benoemd tot bestuurder van [gedaagde 1] .
2.9.
Op 26 januari 2021 heeft [naam 1] onder meer het volgende aan [naam 2] en [naam 3] gemaild:
“Als laatste nu de zaak bijna verkocht is, we hebben mondeling afgesproken dat ik 5% van de verkoop fee zou krijgen van de verkoopprijs, mocht er een koper zijn, dit in ruil voor de 25k management fee die nog open staat en 49% van de aandelen.
Het zou netjes zijn, als jullie dit aan mij willen bevestigen door een mailtje terug te sturen met dat dit akkoord is.”
2.10.
Op 15 april 2021 heeft [naam bedrijf 2] haar aandelen in [gedaagde 1] voor € 150.000,00 verkocht aan [naam bedrijf 3] B.V. (hierna: [naam bedrijf 3] ).

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – na eiswijziging en na ter zitting haar vordering te hebben beperkt tot € 25.000,00 en gelijktijdig afstand te hebben gedaan van het meerdere:
primair
- hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 25.000,00 aan management fee, dan wel tot betaling van een openstaande rekening-courant vordering,
subsidiair
  • hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van 5% van de verkoopopbrengst van de aandelen in [gedaagde 1] in het kader van de koopovereenkomst tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente,
  • veroordeling van [gedaagden] tot afgifte van de koopovereenkomst van de aandelen in [gedaagde 1] tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] en de notariële akte van overdracht van de aandelen in [gedaagde 1] , op straffe van een dwangsom,
primair en subsidiair
- veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

Primaire vordering [eiseres] tegen [gedaagde 1]
4.1.
[eiseres] baseert haar primaire vordering tegen [gedaagde 1] op nakoming van een managementovereenkomst, op basis waarvan [gedaagde 1] een management fee aan [eiseres] moet betalen voor door haar verrichtte managementwerkzaamheden. [eiseres] heeft daartoe twee facturen aan [gedaagde 1] gestuurd die [gedaagde 1] – volgens [eiseres] – nog gedeeltelijk moet betalen. [gedaagde 1] voert als verweer dat zij die facturen niet hoeft te betalen, omdat [eiseres] afstand heeft gedaan van haar management fee. Daarover wordt het volgende overwogen.
4.2.
Op basis van artikel 6:160 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) gaat een verbintenis teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij afstand doet van zijn vorderingsrecht. In dit geval betekent dat concreet dat het verweer van [gedaagde 1] alleen slaagt als komt vast te staan dat [eiseres] (als schuldeiser) met haar (als schuldenaar) heeft afgesproken afstand te doen van haar management fee.
4.3.
[gedaagde 1] stelt dat zij medio 2020 mondeling met [eiseres] heeft afgesproken dat 1) [eiseres] afstand zou doen van haar management fee, 2) [eiseres] haar aandelen in [gedaagde 1] voor € 1,00 zou verkopen aan [naam bedrijf 2] en 3) indien [naam bedrijf 2] haar aandelen in [gedaagde 1] zou doorverkopen, [eiseres] 5% van de verkoopopbrengst daarvan zou krijgen. Daarnaast heeft [gedaagde 1] toegelicht dat [naam 1] deze gang van zaken heeft bevestigd in zijn e-mail van 26 januari 2021. [eiseres] heeft dit betwist. Volgens haar moet de e-mail van 26 januari 2021 worden begrepen als een aanbod van [eiseres] aan [gedaagde 1] om afstand te doen van haar management fee. Zij vraagt in die e-mail immers om een bevestiging. Die heeft zij niet gekregen. [gedaagde 1] heeft het aanbod dus niet aanvaard. Daarmee heeft [eiseres] de gestelde afspraak echter onvoldoende betwist. [eiseres] miskent daarmee namelijk dat [naam 1] in die email zelf al schrijft “we hebben mondeling afgesproken”. Dat [gedaagde 1] de door [naam 1] in deze e-mail gevraagde bevestiging vervolgens niet heeft gegeven, maakt niet dat de mail van [eiseres] alsnog als een aanbod moet worden gezien. De inhoud van de afspraak wordt door [eiseres] bovendien in de e-mail bevestigd: [eiseres] had recht op 5 % van de verkoopopbrengst, in ruil voor de openstaande management fee en haar aandelen.
4.4.
Omdat [eiseres] dus afstand heeft gedaan van haar management fee, heeft zij geen recht meer op betaling van een management fee. Dit gedeelte van de primaire vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 1] wordt dan ook afgewezen.
4.5.
Daarnaast vordert [eiseres] betaling van een openstaande rekening-courant vordering. [eiseres] heeft tijdens de zitting toegelicht dat de rekening-courant volledig was opgebouwd uit de management fee die [gedaagde 1] nog aan [eiseres] verschuldigd was. Gelet op het feit dat [eiseres] afstand heeft gedaan van haar management fee, valt niet in te zien dat zij nog recht heeft op afrekening van de rekening-courantverhouding. Dit gedeelte van de primaire vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 1] wordt daarom ook afgewezen.
4.6.
Dit alles betekent dat de primaire vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 1] geheel wordt afgewezen. Wat [eiseres] en [gedaagde 1] verder over en weer hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel en behoeft dan ook geen bespreking.
Primaire vordering [eiseres] tegen [gedaagde 2]
4.7.
[eiseres] baseert haar primaire vordering tegen [gedaagde 2] op bestuurdersaansprakelijkheid. Daarover wordt het volgende overwogen.
4.8.
Een bestuurder kan naast de vennootschap aansprakelijk zijn (i) wanneer de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden of (ii) indien het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden anderszins zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.9.
De stelling van [eiseres] dat zij door [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] in haar verhaalsmogelijkheden is gefrustreerd is onvoldoende om een situatie als bedoeld onder (i) aan te nemen. [eiseres] heeft dit niet anders toegelicht dan dat [gedaagde 1] haar vorderingen onbetaald laat, terwijl [gedaagde 1] al haar andere schuldeisers wel heeft betaald. Voor bestuurdersaansprakelijkheid als hier bedoeld is echter vereist dat [gedaagde 2] bij het aangaan van de verbintenissen met [eiseres] wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [gedaagde 1] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen én dat [gedaagde 1] geen verhaal zou bieden. Daarvan is niet gebleken.
4.10.
[eiseres] stelt verder dat [gedaagde 2] misbruik heeft gemaakt van [eiseres] door eerst de aandelen van [eiseres] voor € 1,00 te kopen en een paar maanden later [gedaagde 1] voor € 150.000,00 te verkopen. De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus dat zij door [gedaagde 2] (en [naam bedrijf 2] ) onheus onder druk is gezet om haar aandelen in [gedaagde 1] voor slechts € 1,00 aan [naam bedrijf 2] te verkopen en dat zij daarmee slechts heeft ingestemd omdat [naam 1] op dat moment in zijn persoonlijk leven een moeilijke periode doormaakte. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat daarmee sprake is van misbruik van omstandigheden, bedreiging en onrechtmatig handelen. De kantonrechter stelt echter voorop dat de aandelen zijn verkocht aan [naam bedrijf 2] , niet aan [gedaagde 2] . Voor zover al moet worden aangenomen dat [eiseres] haar aandelen tegen haar zin heeft verkocht of door de verkoop nadeel heeft ondervonden, is echter niet gesteld in hoeverre daarvan aan [gedaagde 2] , als bestuurder van [naam bedrijf 2] , een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.11.
Het voorgaande brengt mee dat de primaire vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 2] geheel wordt afgewezen.
Subsidiaire vorderingen
4.12.
[eiseres] vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van 5% van de verkoopopbrengst van de aandelen in [gedaagde 1] in het kader van de koopovereenkomst tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] . [gedaagden] heeft betwist dat [eiseres] deze vordering op [gedaagde 1] of [gedaagde 2] heeft. De aandelen zijn immers verkocht door [naam bedrijf 2] . [eiseres] heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit blijkt dat zij deze vordering op [gedaagden] heeft. Bij deze stand van zaken is de vordering van [eiseres] niet toewijsbaar.
4.13.
[eiseres] vordert tevens dat [gedaagden] op de voet van artikel 843a Rv wordt veroordeeld tot afgifte van stukken. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.12 is overwogen heeft [eiseres] in haar rechtsverhouding tot [gedaagden] geen rechtmatig belang bij deze vordering, zodat die wordt afgewezen.
Kosten
4.14.
[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [gedaagden] worden tot op heden begroot op € 996,00 (2,0 punten x tarief: € 498,00) aan salaris gemachtigde.
4.15.
Hierna in ‘de beslissing’ staat welk bedrag [eiseres] moet betalen aan nakosten. Dit is een standaard bedrag dat altijd wordt toegewezen aan de in het gelijk gestelde partij (in dit geval [gedaagden] ), als vergoeding voor advocaatkosten en eventuele betekeningskosten die zij nog maakt na het wijzen van dit vonnis.
4.16.
De proceskosten en de nakosten worden nog vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 996,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na de datum van betekening het vonnis tot de dag der algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis aan de zijde van [gedaagden] ontstane nakosten, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na de bedoelde aanschrijving tot de dag der algehele voldoening,
5.4.
verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2022.
De griffier De kantonrechter