De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn minderjarige kind. Na bevestiging van het vaderschap middels DNA-onderzoek en gesprekken met het kind, bleek dat de omgangsregeling tot dan toe met veel belemmeringen verliep. Zowel vader als moeder zegden regelmatig omgangsmomenten af, waarbij vader bezorgd was over het emotionele welzijn van het kind en moeder stelde dat het kind zelf weerstand had tegen het contact.
De Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Regio Amsterdam adviseerden dat het kind klem zit tussen de loyaliteitsproblemen en de negatieve uitlatingen van moeder en stiefvader over vader. Ondanks de weerstand van het kind is het belang van het kind om een band met zijn biologische vader op te bouwen zwaarwegend, mede gezien de ziekte van vader en het vooruitzicht van voortijdig overlijden.
De rechtbank besloot de omgangsregeling niet stop te zetten, maar aan te passen naar vier keer per jaar een dagdeel contact onder begeleiding. Tevens werd een Kindbehartiger benoemd om het kind neutraal te ondersteunen bij zijn gevoelens en het contact met zijn vader. De rechtbank richtte zich ook rechtstreeks tot het kind met een begrijpelijke uitleg van de beslissing. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het beroep is mogelijk binnen drie maanden.