ECLI:NL:RBAMS:2022:5596
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende bewijs te goeder trouw
Verzoeker heeft op 13 mei 2022 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank behandelde het verzoek op 2 september 2022 waarbij verzoeker en zijn belangenbehartigers verschenen. De totale schuldenlast bedraagt circa €370.000,-, waaronder boetes, een schuld aan ABN AMRO van circa €121.000,- en een schuld aan Zilveren Kruis van circa €136.000,-.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de afgelopen vijf jaar. Verzoeker heeft weinig schriftelijke onderbouwing geleverd over de schulden aan ABN AMRO en Zilveren Kruis en kon mondelinge toelichting niet staven met stukken. De aard van de vordering van ABN AMRO is onduidelijk, deels gerelateerd aan een geschil in de familiesfeer en deels aan een leaseovereenkomst met een door verzoeker opgerichte stichting. Ook de terugvordering van PGB-gelden door Zilveren Kruis is onvoldoende toegelicht.
Verzoeker heeft zich beroepen op de hardheidsclausule, maar dit betoog faalt omdat onvoldoende duidelijk is welke omstandigheden tot de schulden hebben geleid en of deze onder controle zijn. Hoewel verzoeker onder beschermingsbewind staat en onder behandeling is, acht de rechtbank dit onvoldoende. Gezien het voorgaande voldoet verzoeker niet aan de voorwaarden van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro en zijn er geen bijzondere omstandigheden die toelating tot de regeling rechtvaardigen.
De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Verzoeker heeft acht dagen na de uitspraak het recht op hoger beroep, dat alleen door een advocaat kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van te goeder trouw handelen.