Op 1 maart 2022 ontstond brand in de slaapkamer van verdachte in de woning van zijn ouders te Amsterdam. Verdachte was kort voor de brand aanwezig in die kamer en wordt beschuldigd van het opzettelijk stichten van de brand. Zijn ouders deden aangifte en verklaarden dat verdachte hen had bedreigd met brandstichting.
De rechtbank nam verklaringen van familieleden, forensisch onderzoek en verdachte's wisselende verklaringen in overweging. De brand kon niet door spontane of technische oorzaak zijn ontstaan, waardoor menselijk handelen werd vastgesteld. Verdachte had eerder brieven in brand gestoken en dreigde met brandstichting. De rechtbank concludeerde dat verdachte de brand opzettelijk had gesticht en dat daarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners en buren bestond.
Psychiatrisch onderzoek wees uit dat verdachte leed aan meerdere stoornissen en een intellectuele beperking, waardoor zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid sterk was verminderd. De rechtbank legde een gevangenisstraf van negen maanden op en de maatregel ter beschikking stelling (tbs) met dwangverpleging, omdat behandeling in een klinische setting noodzakelijk werd geacht om herhaling te voorkomen.