ECLI:NL:RBAMS:2022:4726

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 augustus 2022
Publicatiedatum
11 augustus 2022
Zaaknummer
13/342817-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak diefstal met geweld en vuurwapenbezit wegens onvoldoende bewijs en alternatieve scenario verdachte

Op 12 april 2020 werd verdachte aangehouden nabij een auto die kort daarvoor was gestolen onder bedreiging met een vuurwapen. In de auto werd een vuurwapen aangetroffen met een DNA-mengprofiel dat deels van verdachte kon zijn. Verdachte ontkende de diefstal en gaf een alternatieve verklaring waarin hij stelde dat hij een afspraak had met de aangever en dat de aangever zelf het wapen had getrokken.

De officier van justitie stelde dat het tenlastegelegde bewezen kon worden en baseerde zich op de verklaring van de aangever en diens neef, evenals het DNA-bewijs. De verdediging betoogde dat het alternatieve scenario niet kon worden uitgesloten en dat er aanwijzingen waren dat de aangever niet de volledige waarheid sprak.

De rechtbank concludeerde dat het dossier onvoldoende duidelijkheid bood over de toedracht in de auto en dat het alternatieve scenario van verdachte niet kon worden uitgesloten. Hierdoor kon het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en het opzet op het bezit van het vuurwapen niet worden vastgesteld.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel was opgelegd. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden en het alternatieve scenario niet kan worden uitgesloten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/342817-21
Datum uitspraak: 9 augustus 2022
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres]
,
gedetineerd in de [naam Penitentiaire Inrichting]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Barendregt en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Vries, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 12 april 2020 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. diefstal van een auto van [naam 1] met (bedreiging met) geweld, door onder andere het tonen van een vuurwapen;
2. het voorhanden hebben van een vuurwapen.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3.Motivering van de vrijspraak

3.1.
Inleiding
[naam 1] heeft op 12 april 2020 melding gemaakt van diefstal van een auto, waarbij door de dader een vuurwapen getoond zou zijn. De auto is even later aangetroffen terwijl verdachte daar naast stond. In de auto is een vuurwapen aangetroffen. Verdachte bekent dat hij degene is die in de auto, waarin ook een vuurwapen lag, is weggereden, maar ontkent dat er sprake is van diefstal met geweld. Hij geeft een andere verklaring voor wat er gebeurd is.
3.2.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het tenlastegelegde kan worden bewezen. De verklaring van aangever vindt voldoende steun in het dossier, terwijl het alternatieve scenario van verdachte op de belangrijkste onderdelen geen steun vindt in het dossier. Daarnaast heeft verdachte zijn verklaring meermalen aangepast.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
Het tenlastegelegde kan niet worden bewezen en verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken. Het alternatieve scenario van verdachte kan niet worden uitgesloten en er zijn aanwijzingen dat aangever niet (volledige) de waarheid heeft gesproken. Daarnaast ontbreekt aanvullend bewijs, terwijl het op de weg van het openbaar inisterie had gelegen om naar bepaalde bewijsstukken in het dossier nader onderzoek te doen.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Zij oordeelt daartoe als volgt.
De stukken in het dossier
Op 12 april 2020 krijgt de politie een melding van een “carjacking”. Aangever [naam 1] verklaart dat er iemand bij hem in de auto is gesprongen en dat deze persoon de auto heeft meegenomen onder bedreiging van een vuurwapen. Aangever verklaart de dader niet te kennen. In de buurt van de plaats delict wordt de betreffende auto even later aangetroffen door de politie. Verdachte staat op dat moment (samen met een medeverdachte) bij de auto. Na een achtervolging wordt verdachte aangehouden. In de auto wordt op de grond onder de bestuurderstoel een vuurwapen aangetroffen.
De verklaring van aangever vindt onder andere ondersteuning in de verklaring van de neef van aangever, die tijdens het incident in de buurt van de auto stond. Op het wapen dat in de auto is aangetroffen, wordt daarnaast een DNA-mengprofiel aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat een relatief grote hoeveelheid van dit DNA-mengprofiel afkomstig zou kunnen zijn van verdachte, waarbij de bewijskracht meer dan 1 miljard is.
Verdachte ontkent de door aangever geschetste gang van zaken en heeft verklaard dat er iets anders is gebeurd. Hij zou namelijk een afspraak hebben gehad met aangever. Aangever is daarnaast (verre) familie van verdachte, en aangever kent verdachte dus wel degelijk. Verdachte zou aan de bestuurderskant in de auto zijn gestapt terwijl aangever aan de passagierskant zat. Ze praatten en hadden een discussie over drugs. Deze discussie liep uit op een ruzie en bij die ruzie zou juist aangever degene zijn geweest die een wapen heeft getrokken. Verdachte zou erin geslaagd zijn om het wapen af te pakken, of in ieder geval uit de handen van aangever te slaan. Hij heeft het wapen op dat moment ook aangeraakt en dat kan dus het DNA op het vuurwapen verklaren. Aangever is vervolgens uitgestapt en verdachte is weggereden, naar eigen zeggen om te vluchten.
In het dossier bevinden zich aanwijzingen dat aangever verdachte wel degelijk kent en dat zij daadwerkelijk een afspraak hadden. Ook zijn er aanwijzingen dat verdachte zich bezighoudt met drugs. Er zijn namelijk 5 telefoons en een aantal bolletjes bij hem aangetroffen. Ook dit ondersteunt de verklaring van verdachte.
Overweging van de rechtbank
De auto met daarin het vuurwapen is onder verdachte aangetroffen. De rechtbank vindt gelet op het voorgaande echter dat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld wat er daadwerkelijk in de auto gebeurd is. Het alternatieve scenario van verdachte kan niet worden uitgesloten op grond van het dossier. Gezien de twijfel over de toedracht oordeelt de rechtbank daarom dat het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening van de auto (feit 1) en het opzet op het voorhanden hebben van het wapen (feit 2) niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken.

4.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 1.500,00 aan vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezenen spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaartde benadeelde partij [naam 1]
niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en B. Atakan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg en N.M. van Boekel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 augustus 2022.