Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
Rechtbank Amsterdam
De Stichting Gebouw Hebron Amsterdam vordert in kort geding de waardeloosverklaring van een recht van hypotheek dat in 1924 is gevestigd ten laste van haar erfpachtrecht. Dit hypotheekrecht diende als zekerheid voor een obligatielening die in 1949 had moeten worden afgelost. De rechthebbenden, bestaande uit een vereniging en twee trustees, zijn naar aannemelijk wordt aangenomen overleden of opgehouden te bestaan. De Stichting heeft onderzoek gedaan maar geen opvolgend trustee of vereffenaar kunnen achterhalen.
De rechtbank oordeelt dat er geen rechtens te respecteren belang meer bestaat bij handhaving van de hypothecaire inschrijving. Omdat degene die volgens artikel 3:28 BW Pro een verklaring van waardeloosheid moet afgeven dit niet doet, kan de voorzieningenrechter op vordering van de belanghebbende de inschrijving waardeloos verklaren op grond van artikel 3:29 BW Pro. De vordering wordt toegewezen en verstek verleend tegen de niet verschenen gedaagden.
Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en eventuele aanspraken uit hoofde van de obligatielening blijven bestaan. De Stichting heeft geen proceskosten gevorderd en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het recht van hypotheek uit 1924 waardeloos wegens het ontbreken van rechthebbenden en wijst de vordering van de Stichting toe.