In deze zaak stond een incident tot voeging centraal waarbij de Stichting, samen met enkele participanten, zich wilde voegen aan de zijde van de gedaagde Temper B.V. in een collectieve actie van FNV en CNV. De rechtbank onderzocht of de Stichting een representatieve en onafhankelijke belangenvertegenwoordiger was van de participanten die via het Temper-platform werken.
FNV en CNV betwistten de representativiteit van de Stichting en wezen op het ontbreken van participatieovereenkomsten, de nauwe banden met Temper, en onvoldoende transparantie over bestuur en doelstellingen. De Stichting kreeg de gelegenheid om hierop te reageren tijdens een mondelinge behandeling, waarin zij haar representativiteit en onafhankelijkheid trachtte te onderbouwen met statuten, behaalde onderhandelingsresultaten en een groeiende achterban.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat de Stichting onvoldoende had aangetoond dat zij onafhankelijk en representatief is. De financiering door Temper en het beginstadium van de Stichting, gericht op oriëntatie en opbouw, maakten dat zij geen zelfstandig belang had bij voeging. De vordering tot voeging van de Stichting werd daarom afgewezen, terwijl de participanten wel waren toegelaten. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.