Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:4211

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2022
Publicatiedatum
21 juli 2022
Zaaknummer
13/751692-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 juli 2022 een vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro betreffende de overlevering van een Poolse verdachte aan Polen. Het Europees aanhoudingsbevel was uitgevaardigd wegens een nog uit te zitten gevangenisstraf van acht maanden en 25 dagen voor opzetheling en overtreding van de Opiumwet.

De verdachte verbleef sinds september 2017 in Nederland en werkte hier, maar de rechtbank stelde vast dat hij nog geen vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland had, waardoor hij niet voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De verdediging stelde dat de verdachte wel aan deze voorwaarde voldeed en verzocht om omzetting van de straf naar een taakstraf bij overname door Nederland.

De officier van justitie betwistte de gelijkstelling vanwege het kortere verblijfsduur. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat aan de eerste voorwaarde niet was voldaan, waardoor de tweede voorwaarde niet hoefde te worden beoordeeld.

Omdat het Europees aanhoudingsbevel aan alle wettelijke eisen voldeed en er geen andere weigeringsgronden waren, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751692-21
RK nummer: 21/3603
Datum uitspraak: 14 juli 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 juni 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 augustus 2020 door
the Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Division(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW Pro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
final and valid court judgementvan de
District Courtin Jelenia Góra van 29 augustus 2011, file number II K 2185/10.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog acht maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzetheling;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door middel van overlegging van een verblijfsdocument; dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander. Hij heeft ten minste vijf jaar in Nederland verbleven en heeft in Nederland de beste resocialisatiekansen, aldus de raadsman. Het strafrestant waarvoor de overlevering wordt gevraagd, kan worden overgenomen bij weigering van de overlevering. De raadsman heeft voorts, onder verwijzing naar artikel 6a lid 2 onder c OLW, verzocht om na overname van het strafrestant de vrijheidsstraf in die zin aan te passen dat deze wordt omgezet naar een taakstraf.
De raadsman heeft voorafgaand aan de zitting documenten aan de rechtbank doen toekomen waaruit blijkt dat is voldaan aan de inkomenseis. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij, na het uitzitten van een andere straf in Polen, in september 2017 naar Nederland is gekomen en op 25 september 2017 aan het werk is gegaan via [naam bedrijf] .
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander. Hij voldoet weliswaar aan de inkomenseis, maar verblijft nog geen vijf jaar in Nederland.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de eigen verklaring van de opgeëiste persoon blijkt dat hij nog geen vijf jaar in Nederland verblijft. Er is derhalve geen sprake van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland.
Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. Aan toetsing van de tweede voorwaarde komt de rechtbank daarom niet toe.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 416 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon] aan
the Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Division(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en W.B. van Bockel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.