Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 8 oktober 2021, met producties 1 tot en met 25,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 21,
- het tussenvonnis van 23 februari 2022,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 26 en 27,
- de producties 28 tot en met 35, van de zijde van [eiseres] ,
- de producties 22 tot en met 23, van de zijde van [gedaagde] ,
- het proces-verbaal en de spreekaantekeningen van partijen van de mondelinge behandeling van 3 mei 2022.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
- € 219.939,89 [de verkoopfacturen van voorwerpen 1 tot en met 14 en de restauratiefacturen van voorwerpen 48 en 49], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, en
- € 2.081,03 [de restauratiefactuur voor voorwerpen 46 en 47], te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 29 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, en
- de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerdern met wettelijke rente.
verkooplijsten aan haar heeft gestuurd. Deze zijn altijd omschreven als “overzichten” en in de overzichten staan ook voorwerpen waarvan [eiseres] de koopprijs niet heeft voldaan. Als geoordeeld wordt dat wél koopovereenkomsten zijn gesloten, zijn deze met wederzijds goedvinden ontbonden dan wel op 9 juli 2021 ontbonden dan wel op die datum vernietigd wegens dwaling, aldus [eiseres] .
4.De beoordeling
in conventie en reconventie
besluittot aankoop over te gaan of
besluiteen of meer voorwerpen niet aan te willen kopen zodat deze retour kunnen naar [gedaagde] . Ook de door [naam 2] zelf verzonden e-mail van 3 maart 2019 is een aanknopingspunt om van reeds verkochte (en geleverde) voorwerpen uit te gaan: “Als het goed is
staat dan nog openaan
geleverdekunststukken:” [onderstreping: rb]. Dit betekent dat de rechtbank op basis van deze stukken het betoog van [gedaagde] volgt dat het ten aanzien van voorwerpen 1 tot en met 14 gaat om verkochte voorwerpen waarvan de betaaltermijnen nader bepaald werden via het (op verzoek) verzenden van facturen. [eiseres] heeft ter onderbouwing van de door haar bepleite andere uitleg (voorwerpen op zicht) nog berichten van [gedaagde] overgelegd waaruit blijkt dat zij iets komt ophalen bij [eiseres] en erop gewezen [gedaagde] na afloop van het gesprek de (meeste) voorwerpen heeft meegenomen. Dit ophalen/meenemen zegt op zichzelf niets over de vraag of [eiseres] de voorwerpen wel of niet had aangekocht. Ter vergelijking: dat [gedaagde] regelmatig voorwerpen bij [eiseres] bezorgde, zegt op zich zelf evenmin iets over de vraag of [eiseres] toen al had aangekocht of dat pas later zou doen. Tot slot leidt de toelichting die [naam 2] en mevrouw [naam 2] desgevraagd tijdens de mondelinge op dit punt hebben gegeven ook niet tot een ander oordeel. Die toelichting van [naam 2] was niet op alle punten eenduidig en het feit dat voorwerpen weer terug mochten naar [gedaagde] maakt niet dat alles “op zicht” was. Het terugsturen van voorwerpen kan evenzeer een terugkoop zijn en mevrouw [naam 2] heeft ook verklaard: “Ik begrijp natuurlijk dat het niet allemaal tegelijk terug kon, dat is niet reëel.” wat er juist niet op wijst dat alles “op zicht” was: dan zou het immers allemaal terug kunnen want dat was het eigendom van [gedaagde] . De overzichten (door partijen ook wel aan- of verkooplijsten genoemd) die [gedaagde] periodiek verzond en waaraan partijen een andere uitleg geven blijven bij deze stand van zaken buiten beschouwing nu zij, welke uitleg ook wordt gekozen, niet tot een andere conclusie leiden.