Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
Stichting Rabobank Pensioenfonds
[gedaagde]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- de conclusie van antwoord, tevens verzoek getuigenverhoor, met producties;
- het instructievonnis waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de dagbepaling mondelinge behandeling;
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
€ 5.000,00 bij [gedaagde] in rekening te brengen wegens het onrechtmatig onderverhuren.
1-11-19 zoals besproken aan de telefoon”. Als reden van verhuizing heeft [gedaagde] genoteerd: “
gedwongen”.
“De sleutels zijn ingeleverd, maar de woning is in uitgeleefde staat achtergelaten. Er is direct een opdracht verstrekt voor het afvoeren van alle nog aanwezige goederen en vuilniszakken en er is een offerte opgevraagd voor herstel voor het grondig reinigen en oppakken de woonschade. We verwachten dat de kosten hiervoor in totaal zo’n € 6000 zullen bedragen
.”
Vordering
Verweer
Beoordeling
1 november 2019 in verband met het gebruik van het gehuurde niets meer aan Rabobank Pensioenfonds verschuldigd is. Op grond van artikel 7:225 BW Pro, waarop Rabobank Pensioenfonds dit deel van de vordering baseert, kan de verhuurder, indien de huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt, over de tijd dat hij het gehuurde mist immers een vergoeding vorderen gelijk aan de huurprijs. [gedaagde] heeft het gehuurde wel verlaten, maar hij heeft het gehuurde toen niet leeg en ontruimd aan Rabobank Pensioenfonds opgeleverd. [naam 2] en [naam 4] verbleven immers nog in de woning.
nietmet bewoning of huur door anderen dan [gedaagde] instemden. Dat [naam 4] destijds de sleutels van de woning in ontvangst heeft genomen namens [gedaagde] , zoals [gedaagde] stelt, blijkt ook niet uit de stukken. Op het stuk waaruit dit volgens [gedaagde] zou moeten blijken, namelijk het rapport inzake toestand woning bij huurdermutatie (zie 1.4), is immers geen handtekening van de nieuwe huurder geplaatst. Ook overigens blijkt niet dat [naam 4] toen voor ontvangst van sleutels heeft getekend. Tot slot heeft [gedaagde] nog gewezen op het feit dat hijzelf, [naam 4] en [adres] , en later [naam 2] in plaats van [adres] , op het gehuurde ingeschreven stonden en daar hun hoofdverblijf hadden. De enkele inschrijving in de BRP, en zelfs het hebben van hoofdverblijf in een woning, is echter nog geen bewijs voor de stelling dat de verhuurder met de medehuur van deze personen heeft ingestemd.
€ 16.429,52 bedraagt.
17 augustus 2020 en [gedaagde] heeft niet betwist dat het gehuurde toen op deze wijze is achtergelaten. Op de foto’s is te zien dat een groot gedeelte van de inboedel, vuilnis en rotzooi in het gehuurde (waaronder de tuin) is achtergelaten en dat het gehuurde niet behoorlijk is schoongemaakt. Uit deze foto’s – hoewel deze niets zeggen over de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst – valt in zoverre genoegzaam af te leiden dat de staat van het gehuurde bij oplevering niet dezelfde was als de staat waarin [gedaagde] het gehuurde heeft ontvangen. Aangenomen mag immers worden dat [gedaagde] bij aanvang van de huur bezwaar zou hebben gemaakt tegen de ontvangst van het gehuurde in deze staat. Daarvan is in het in het onder 1.4 genoemde Rapport inzake toestand woning bij huurdermutatie niets terug te vinden. Daarmee heeft Rabobank Pensioenfonds voldoende bewezen dat [gedaagde] het gehuurde niet in de staat heeft ontvangen zoals hij deze bij einde van de huurovereenkomst heeft opgeleverd. Nu [gedaagde] deze verplichting had moeten nakomen op het moment dat de huurovereenkomst eindigde, verkeert [gedaagde] in verzuim ten aanzien van die verplichting en is hij aansprakelijk voor de schade die door deze tekortkoming is veroorzaakt.
BESLISSING
exploot € 119,21
salaris € 746,00
griffierecht € 1.013,00
-----------------
totaal € 1.878,21