ECLI:NL:RBAMS:2022:3758

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juni 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
13/751770-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugsdelicten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 juni 2022 een vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht Bochum. De opgeëiste persoon wordt verdacht van handel in verdovende middelen in de periode mei 2018, gepleegd in Duitsland en deels in Nederland. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoende specifiek was en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is.

De verdediging voerde aan dat de feitsomschrijving onvoldoende was en dat de overlevering geweigerd moest worden vanwege de medische situatie van de opgeëiste persoon en een lopende Nederlandse strafzaak. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat medische omstandigheden geen grond zijn voor weigering van overlevering en dat de Nederlandse strafzaak geen belemmering vormt.

Verder werd de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro, die ziet op gedeeltelijk in Nederland gepleegde feiten, niet toegepast omdat het zwaartepunt van het strafbare feit in Duitsland ligt. De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke vereisten was voldaan en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751770-21
RK nummer: 21/1422
Datum uitspraak: 29 juni 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 maart 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 augustus 2020 door het Kantongerecht Bochum (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1978,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 maart 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de advocaat van de opgeëiste persoon mr. T. Geerdink, advocaat te Borne. Het is niet mogelijk gebleken een telehoorverbinding tot stand te brengen met de Penitentiaire Inrichting [detentieadres]. De rechtbank heeft daarom het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 15 juni 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn raadsman, mr. T. Geerdink, advocaat te Borne is verschenen en heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW Pro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding en schorsing daarvan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel strekkende tot voorlopige hechtenis van het Kantongerecht Bochum van 20 juli 2020 (64 Gs 2604/20).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 2 OLW Pro. De feitsomschrijving in het EAB kan niet als voldoende genoegzaam worden aangemerkt. De feiten worden namelijk erg summier en onvoldoende omschreven. De pleegplaats is verder onduidelijk omdat er in de feitsomschrijving wordt verwezen naar
andere plaatsenen onduidelijk is wat hieronder moet worden verstaan. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringverzoek dient te worden aangehouden zodat de Duitse autoriteiten de feitsomschrijving kunnen ophelderen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. De feiten zijn in het EAB genoegzaam omschreven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt het volgende.
Uit het EAB onder e) blijkt dat de opgeëiste persoon - kort gezegd - wordt verdacht van twee feiten die zien op de handel in verdovende middelen (marihuana) in de periode 18 mei 2018 tot en met 25 mei 2018, welke strafbare feiten zouden zijn gepleegd in Bochum (Duitsland) en andere plaatsen waaronder Enschede en Ahaus (Duitsland). Over de aard van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon staat vermeld: daderschap en aanzetten tot een misdrijf.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde omschrijving voldoende duidelijk is waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en dat daarmee het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is.
Daar komt bij dat als sprake is van een vervolgings-EAB, zoals hier het geval, het niet is vereist dat de verdenking al volledig is uitgekristalliseerd op het moment dat het verzoek tot overlevering wordt gedaan.
Het verweer wordt verworpen.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet de uitvaardigende justitiële autoriteit om een nadere toelichting te vragen. Het subsidiaire verzoek om aanhouding wordt afgewezen.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De hoofdofficier van justitie te Bochum heeft op 7 maart 2022 de volgende garantie gegeven:
(…) deel ik u mede dat van deze zijde geen bezwaar bestaat tegen de terugkeer van de vervolgde [opgeëiste persoon] , die bij dezen verzekerd is.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB heeft betrekking op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en heeft aangevoerd dat het allerminst zeker is of het zwaartepunt van het feitencomplex zich op Duits grondgebied heeft afgespeeld.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
- het onderzoek is in Duitsland aangevangen;
- de verdovende middelen zijn in Duisland terechtgekomen;
- de medeverdachten worden in Duitsland vervolgd;
- het Nederlands Openbaar Ministerie is niet voornemens de feiten uit het EAB te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;
- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden vormt daarom het gegeven dat de feiten geacht worden geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders.

7.Artikel 35 en Pro 36 OLW

De raadsman heeft aangevoerd dat er tegen de opgeëiste persoon een Nederlandse strafzaak aanhangig is. Het reclasseringsrapport dat in de Nederlandse zaak is opgesteld toont aan dat er psychische hulp nodig is en dat de opgeëiste persoon daarom dient te worden opgenomen in een kliniek. Primair heeft de raadsman daarom verzocht de overleving vanwege deze medische reden te weigeren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat feitelijke overlevering onmogelijk is vanwege de nog lopende Nederlandse strafzaak.
De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat de medische situatie van de opgeëiste persoon en een strafvervolging in Nederland niet in de weg staan aan de beslissing van de rechtbank om tot zijn overlevering over te gaan. De officier van justitie heeft aangegeven dat zij met toestemming van de opgeëiste persoon medische informatie kan doorgeven aan de Duitse autoriteiten.
De rechtbank stelt vast dat de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon niet kan leiden tot weigering van de overlevering, maar wel een rol kan spelen bij de afweging of de feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven. Overeenkomstig artikel 35, derde lid, van de OLW is het niet aan de rechtbank om te beoordelen of de medische omstandigheden tot uitstel van de feitelijke overlevering zouden moeten leiden. Voor wat betreft de nog lopende Nederlandse strafzaak kan de rechtbank een feitelijk overlevering niet weigeren of aanhouden op deze grond. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Kantongerecht Bochum (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en G.M. Beunk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.