De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 april 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van betrokkenheid bij de vervaardiging, handel en organisatie van methamfetamine en amfetamine. De tenlastelegging betrof meerdere feiten in de periode van augustus tot december 2020, verspreid over verschillende locaties in Nederland en Duitsland.
De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding onvoldoende concreet was. De tenlastelegging bevatte geen specifieke gedragingen van de verdachte, met name bij feiten 1 en 3, en slechts zeer algemene omschrijvingen bij feit 2. Dit terwijl het dossier uit ruim 10.000 pagina's bestond met diverse zaaksdossiers, processen-verbaal en communicatiegegevens. De officier van justitie had nagelaten de tenlastelegging nader te concretiseren ondanks verzoeken van de rechtbank en verdediging.
De rechtbank oordeelde dat deze gebrekkige concretisering de positie van de verdachte en de rechterlijke beoordeling ernstig belemmert. De dagvaarding was daardoor niet duidelijk en begrijpelijk, en vormde een zogeheten 'zoekplaatje'. Dit staat een adequate procesvoering in de weg.
De officier van justitie stelde primair dat de dagvaarding niet nietig verklaard moest worden, en subsidiair dat bij nietigheid de zaak aangehouden moest worden om de tenlastelegging te wijzigen. De rechtbank wees dit af omdat de wet geen ruimte biedt om na nietigverklaring alsnog aanpassing toe te staan.
De rechtbank verklaarde de dagvaarding nietig en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.