Eiser ontving een uitkering op grond van de Participatiewet en kreeg een maatregel opgelegd wegens het niet nakomen van zijn arbeidsverplichting. Verweerder stelde dat eiser een baan had geweigerd, wat leidde tot een verlaging van zijn uitkering met 100% gedurende één maand, uitgesmeerd over drie maanden. Eiser voerde aan dat hij niet kon werken vanwege ziekte en dat de maatregel onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal en psychische klachten.
De rechtbank stelde vast dat eiser de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, wat communicatie bemoeilijkte en dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met deze omstandigheden bij het opleggen van de maatregel. Daarnaast werd de maatregel met ingang van 1 augustus 2020 opgelegd, terwijl het besluit pas op 4 augustus 2020 aan eiser bekend was gemaakt, wat strijdig is met de regelgeving.
De rechtbank oordeelde dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en vernietigde het bestreden besluit. Tevens werd het primaire besluit herroepen, waardoor de maatregel komt te vervallen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.