ECLI:NL:RBAMS:2022:27
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- L. Dolfing
- H.E. Hoogendijk
- K. Duker
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot schadevergoeding voor voortduren voorlopige hechtenis mede door proceshouding
Verzoeker werd op 10 juli 2020 aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van medeplegen en medeplichtigheid bij moord en poging moord. Hij verbleef in voorlopige hechtenis tot 3 december 2020, die mede voortduurde doordat hij pas op 11 november 2020 een verklaring aflegde. De rechtbank sprak verzoeker op 19 juli 2021 vrij.
Verzoeker vroeg een schadevergoeding van €15.070 voor de geleden schade door de voorlopige hechtenis en €680 voor proceskosten. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen volledige toekenning en stelde matiging voor, omdat de langdurige hechtenis mede aan de proceshouding van verzoeker te wijten was.
De rechtbank oordeelde dat de periode tot 11 november 2020, waarin verzoeker zweeg, voor zijn eigen rekening komt. Voor de periode van 11 november tot 3 december 2020 kende de rechtbank een vergoeding van €2.300 toe. Daarnaast werd de standaardvergoeding van €680 voor de proceskosten toegekend. Het overige verzoek werd afgewezen.
Uitkomst: Gedeeltelijke toekenning van schadevergoeding van €2.300 voor voorlopige hechtenis na afleggen verklaring en €680 voor proceskosten.