Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
- een verkort proces-verbaal terechtzitting van 28 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 13/702377-17 met de mededeling van de officier van justitie aan [veroordeelde] voornemens te zijn een ontnemingsvordering in te dienen;
- een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2018 in de strafzaak tegen [veroordeelde] met parketnummer 13/702377-17;
- een Rapport Wederrechtelijk Verkregen Voordeel van 16 maart 2020 (met bijlagen) (hierna: het Rapport);
- een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 23 juni 2020 op een klaagschrift van [klager] ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met betrekking tot twee Rolex horloges, die in de strafzaak tegen [veroordeelde] in beslag waren genomen (met onderliggende stukken);
- een proces-verbaal terechtzitting van 9 juli 2020 in deze ontnemingszaak met onder meer de beslissing van de rechtbank een schriftelijke ronde in te stellen;
- een verslag van de verhoren in deze ontnemingszaak door de rechter-commissaris van de getuigen [naam getuige] en [klager] op 7 september 2020;
- een conclusie van antwoord van 16 september 2020 van de raadsman van [veroordeelde] in deze ontnemingszaak;
- een conclusie van repliek van 22 oktober 2020 van de officier van justitie in deze ontnemingszaak.
2.Vordering
3.Grondslag van de vordering
4.Wederrechtelijk verkregen voordeel
- € 8.000, -, (in de berekening in het Rapport meegenomen als contante uitgave van [veroordeelde] voor de aanschaf van de onder [veroordeelde] in de strafzaak in beslag genomen Volkswagen Golf);
- € 21.000, - (in de berekening in het Rapport meegenomen als contante uitgave van [veroordeelde] voor de aanschaf van de twee onder [veroordeelde] in de strafzaak in beslag genomen Rolex horloges);
- € 50.000, - (in de berekening in het Rapport meegenomen als contante uitgave van [veroordeelde] in het kader van een
loan backconstructie is namelijk onvoldoende aannemelijk geworden in het Rapport. De onderbouwing is speculatief. Bovendien hebben zowel [veroordeelde] als [naam] verklaard dat [naam] een bedrag van € 50.000, - aan [veroordeelde] had geleend. Uit de stukken blijkt verder dat [naam] over een dergelijk groot bedrag kon beschikken en dat hij een bedrag van € 50.000, - had overgemaakt van zijn spaarrekening op de dag van de overboeking van het bedrag naar [veroordeelde] .
5.Verplichting tot betaling
6.Toepasselijke wettelijke voorschriften
7.Beslissing
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 47.239,20 (zevenenveertigduizend tweehonderdnegenendertig euro en twintig cent)aan de Staat.
944 (negenhonderd vierenveertig) dagen.