ECLI:NL:RBAMS:2022:2471

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2022
Publicatiedatum
6 mei 2022
Zaaknummer
C/13/714471 / HA RK 22-64
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:4 lid 3 onder c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke zaak over WOK-melding scooter

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij zijn bestuursrechtelijke procedure tegen de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) over een WOK-melding van zijn scooter. De scooter zou met behulp van een rollerbank meer dan twee kilometer per uur te hard hebben gereden, wat leidde tot de WOK-melding. Verzoeker stelde dat de rechter partijdig was omdat zij te veel nadruk legde op het wettelijke kader en onvoldoende oog had voor de menselijke maat en technische uitleg van de scooter.

De rechter heeft het verzoek niet ingewilligd en toegelicht dat zij gebonden is aan het juridisch kader en dat technische bezwaren tegen de beoordeling van het voertuig buiten de bestuursrechtelijke procedure vallen. De wrakingskamer overwoog dat een wraking alleen gegrond kan zijn bij concrete aanwijzingen van rechterlijke vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.

De wrakingskamer stelde vast dat het verzoek feitelijk gericht was tegen het systeem van de wet en niet tegen de rechter zelf. Het feit dat de rechter de procedure leidde en verzoeker meerdere malen onderbrak om het juridische kader toe te lichten, vormt geen grond voor het vermoeden van partijdigheid. Het wrakingsverzoek is daarom ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer: C/13/714471/ HA RK 22/64
Beslissing van 14 april 2022
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker]
wonende te Amsterdam
procederend in persoon
hierna te noemen: verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. H.J. Doets,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 27 februari 2022;
  • de schriftelijke reactie van de rechter;
  • de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 25 februari 2022;
  • het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer van 18 maart 2018 waaruit blijkt dat verzoeker pas ter zitting is verschenen nadat de rechter over het verzoek was gehoord en de behandeling was gesloten. Aan verzoeker is meegedeeld dat de behandeling heropend zal worden en een nieuwe datum voor de behandeling van zijn verzoek zal worden bepaald.
Verzoeker en de rechter zijn opnieuw geroepen voor de mondelinge behandeling van 31 maart 2022.
De rechter heeft voorafgaand aan de behandeling laten weten niet ter zitting te kunnen verschijnen. Verzoeker is, hoewel daartoe deugdelijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer AMS 21/4156 tussen verzoeker en de directie van de Rijksdienst Wegverkeer (hierna: RDW). Met die procedure heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van de RDW om ten aanzien van zijn scooter een zogenaamde WOK (Wachten Op Keuring) melding te doen. Met behulp van een zogenaamde rollerbank was gemeten dat de snelheid van de scooter van verzoeker meer dan twee kilometer per uur boven de toegestane snelheid van dit soort scooters lag.
2.2
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek het volgende, zakelijk weergegeven, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechter is partijdig omdat door haar teveel is gekeken naar het wettelijke kader van de RDW in plaats van de menselijke maat. Toen hij aan de rechter zijn verweer wilde toelichten door het geven van technische uitleg en de werking van een scooter, werd hij door de rechter onderbroken met de mededeling dat zij verstand had van bestuursrecht en niet van de techniek van een scooter. Verzoeker is voorts van oordeel dat de straf buitenproportioneel is ten opzichte van een klein vergrijp, te weten dat zijn scooter twee kilometer per uur harder ging dan wettelijk is toegestaan.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling van 25 februari 2022 geprobeerd verzoeker uit te leggen dat zij is gebonden aan het juridisch kader van deze bestuursrechtelijke procedure en dat de door verzoeker in het kader van zijn bezwaar gestelde ondeugdelijkheid van de technische beoordeling van zijn scooter - nog los van het feit dat verzoeker dat standpunt ook niet met een deskundigen oordeel had onderbouwd - in beginsel buiten deze procedure valt. De rechter heeft daarbij ook verwezen naar artikel 8:4 lid 3 onder Pro c Awb waarin - kort gezegd - is bepaald dat geen beroep open staat tegen een besluit over een technische beoordeling van een voertuig of een meetmiddel.

3.De beoordeling

3.1
Op grond van artikel 8:15 Awb Pro kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Het bezwaar van verzoeker lijkt er vooral op gericht dat de wet beperkingen stelt aan het beroep. Dat de rechter die beperkingen aan verzoeker heeft uitgelegd en hem om die reden meermaals heeft onderbroken in zijn technische betoog, is geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is van (de schijn van) partijdigheid. Het is immers de taak van de rechter de regie over de procedure te voeren en de geldende juridische kaders te bewaken. Daarnaast is door de rechter over de juistheid van de stellingen van verweerder op dat punt ook geen enkel oordeel gegeven. Uit de overgelegde zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 25 februari 2022 blijkt dat de rechter juist heeft meegedacht over de wegen die verzoeker wèl zou kunnen bewandelen om zijn stelling dat het gebruikte meetmiddel ondeugdelijk is, te kunnen laten toetsen.
3.3
Nu de wraking in feite is gericht tegen het systeem van de wet en niet tegen de rechter, moet het verzoek tot wraking als ongegrond worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mr. C.M. Degenaar en mr. Y.A.M. Jacobs in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op 14 april 2022.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.