Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij zijn bestuursrechtelijke procedure tegen de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) over een WOK-melding van zijn scooter. De scooter zou met behulp van een rollerbank meer dan twee kilometer per uur te hard hebben gereden, wat leidde tot de WOK-melding. Verzoeker stelde dat de rechter partijdig was omdat zij te veel nadruk legde op het wettelijke kader en onvoldoende oog had voor de menselijke maat en technische uitleg van de scooter.
De rechter heeft het verzoek niet ingewilligd en toegelicht dat zij gebonden is aan het juridisch kader en dat technische bezwaren tegen de beoordeling van het voertuig buiten de bestuursrechtelijke procedure vallen. De wrakingskamer overwoog dat een wraking alleen gegrond kan zijn bij concrete aanwijzingen van rechterlijke vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.
De wrakingskamer stelde vast dat het verzoek feitelijk gericht was tegen het systeem van de wet en niet tegen de rechter zelf. Het feit dat de rechter de procedure leidde en verzoeker meerdere malen onderbrak om het juridische kader toe te lichten, vormt geen grond voor het vermoeden van partijdigheid. Het wrakingsverzoek is daarom ongegrond verklaard en afgewezen.