Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:2317

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2022
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
13/751098-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens verkeersovertredingen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 maart 2022 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 15 september 2021. De opgeëiste persoon, geboren in Polen en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van meerdere verkeersovertredingen volgens Duits recht.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. Vervolgens beoordeelde zij de strafbaarheid van de feiten onder Nederlands recht, waarbij werd vastgesteld dat de feiten overeenkomen met overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. De verdediging voerde aan dat de feitomschrijving in het EAB niet voldeed aan de Duitse kwalificatie en dat het strafmaximum niet voldeed aan de vereisten van de Overleveringswet, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat er geen weigeringsgronden zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe voor de in het Europees aanhoudingsbevel omschreven verkeersovertredingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751098-22
RK nummer: 22/524
Datum uitspraak: 14 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 januari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 september 2021 door het
Amtsgericht Hof(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 maart 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het
Amtsgericht Hof(Duitsland) van 8 september 2021, dossiernummer 21 Ds 3700 Js 12721/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet
1994;
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet; meermalen gepleegd.
De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar Duitse wetsartikelen, op het standpunt gesteld dat de feitomschrijving van feit 2 in het EAB niet voldoet aan de in het EAB vermelde kwalificatie naar Duitse recht. Daarnaast wordt in het EAB vermeld dat feit 1 (rijden zonder rijbewijs) in Duitsland een strafmaximum kent van niet meer dan twaalf maanden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, OLW moet er echter sprake zijn van een maximum van meer dan twaalf maanden.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verweren niet kunnen slagen. De rechtbank is niet bevoegd om te treden in de kwalificatie naar het recht van de uitvaardigende lidstaat die de uitvaardigende justitiële autoriteit aan het feit heeft gegeven. De rechtbank moet beoordelen of de feitelijke elementen in de feitomschrijving in het EAB ook in Nederland een strafbaar feit zouden opleveren. Dat is het geval, zoals hiervoor is overwogen.
Verder volgt uit het EAB dat in Duitsland het strafmaximum voor feit 1 (rijden zonder rijbewijs) een vrijheidsstraf van één jaar is. Hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a sub 2, OLW dat op het feit een maximumstraf van ten minste twaalf maanden is gesteld.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 5, 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Hof(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en D. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.