Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.Beslissing
niet-ontvankelijkin de vervolging van verdachte.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd vervolgd voor het witwassen van geldbedragen van ruim 117.000 euro, gepleegd in de periode van februari tot maart 2016. De hoofdverdachte was reeds in 2017 veroordeeld, en verdachte werd gezien als een katvanger met een geringe rol.
De officier van justitie vorderde niet-ontvankelijkheid van het OM wegens overschrijding van de redelijke termijn, mede vanwege de lange duur tussen de regiezitting in maart 2019 en de geplande zitting in maart 2022. De rechtbank oordeelde dat de schending van het recht op een eerlijk proces zodanig ernstig was dat voortzetting van de strafvervolging niet opportuun was.
De rechtbank nam mee dat het geheugen van getuigen door het tijdsverloop onbetrouwbaar kan zijn, en dat nader onderzoek, zoals het horen van getuigen, niet mogelijk was omdat een belangrijke getuige was uitgezet naar Nigeria. Ook was geen maatschappelijk belang aangetoond dat een voortzetting van de zaak rechtvaardigde. Hierdoor werd de kwaliteit van het onderzoek en de waarheidsvinding ernstig belemmerd.
De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte en sprak het vonnis uit op 6 april 2022.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige schending van de redelijke termijn.