ECLI:NL:RBAMS:2022:1780

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
AMS 22/860, AMS 22/1189, AMS 22/ 1380
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 7:46 AwbArt. 7:53 AwbArt. 7:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen herziening, terugvordering en boete WW-uitkering wegens vermeende schending inlichtingenplicht

Verzoeker, een profvoetballer die werkloos werd na beëindiging van zijn contract, ontving een WW-uitkering van 1 juli tot 17 december 2021. Verweerder herzag en vorderde terugbetaling van de uitkering over de periode 5 juli tot 30 september 2021 wegens verblijf in het buitenland zonder melding. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.

Verzoeker betwist niet het verblijf in het buitenland, maar stelt dat hij op 6 juli 2021 telefonisch aan zijn klantmanager heeft gemeld dat hij zich in binnen- en buitenland presenteert voor een nieuw contract. Verweerder was dus op de hoogte van zijn plannen. Het dossier bevat geen bewijs van toestemming, maar ook geen verslag van het gesprek. Verzoeker voelde zich gediscrimineerd door aanvullende eisen van verweerder.

De voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker zwaarder dan dat van verweerder en schorst de bestreden besluiten tot zes weken na de beslissing op de bezwaren. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan verzoeker vergoed. Verweerder is niet verschenen op de zitting. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 maart 2022.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de herziening, terugvordering en boete worden geschorst tot zes weken na de beslissing op de bezwaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 22/ 860 (herziening en terugvordering)
AMS 22/1189 (invordering)
AMS 22/ 1380 (boete)

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam], te Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: S. Meeuwsen).

Procesverloop

Met het besluit van 26 januari 2022 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de uitkering van verzoeker op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien en teruggevorderd.
Met het besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de teruggevorderde WW-uitkering ingevorderd.
Met het besluit van 26 januari 2022 (het bestreden besluit III) heeft verweerder verzoeker een boete opgelegd omdat hij zich niet aan de inlichtingenplicht heeft gehouden. Deze boete is met het besluit van 28 januari 2022 ingevorderd.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de zaken behandeld op de zitting van 1 maart 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.
Wat ging vooraf
1. Verzoeker is profvoetballer en is, na beëindiging van zijn contract met [voetbalclub] , werkloos geworden. Sindsdien is hij in onderhandeling met voetbalclubs in het binnen- en buitenland voor een nieuw contract.
2. Verzoeker heeft in de periode van 1 juli 2021 tot en met 17 december 2021 van verweerder een WW-uitkering ontvangen. Met het bestreden besluit I heeft verweerder de WW-uitkering herzien en teruggevorderd over de periode 5 juli 2021 tot en met
30 september 2021 (de periode in geding) omdat verzoeker in deze periode in het buitenland heeft verbleven zonder verweerder hierover in te lichten. Verweerder is hierachter gekomen naar aanleiding van een melding uit een risicoselectie op 19 augustus 2021. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het terug te vorderen bedrag van € 7.297,19 ingevorderd. Met het bestreden besluit III heeft verweerder verzoeker een boete opgelegd van € 3.648,60. Deze boete is met het besluit van 28 januari 2022 ingevorderd.
3. Verzoeker betwist niet dat hij in de periode hier in geding in het buitenland was, maar wel dat dit zonder medeweten van zijn klantmanager was. Volgens verzoeker heeft hij op 6 juli 2021 tijdens een telefonische welkomsgesprek met zijn klantmanager aangegeven dat hij zich voor een nieuw contract bij voetbalclubs in het binnen- en buitenland moet presenteren. Volgens verzoeker had verweerder daar geen probleem mee. Pas in gesprekken met zijn klantmanager op 27 en 28 september 2022 bleek dat verzoeker niet zonder toestemming naar het buitenland had mogen afreizen. Deze gesprekken verliepen niet goed omdat verzoeker zich gediscrimineerd voelde. Zo stelt verzoeker dat hij als geboren en getogen Nederlander (met alleen de Nederlandse nationaliteit) werd gesommeerd om zijn Turkse paspoort en afschriften van Turkse bankrekeningen te overleggen. Verzoeker heeft hierover een klacht bij verweerder ingediend.
Wat beoordeelt de voorzieningenrechter
4. Bij de beoordeling of een voorlopige voorziening moet worden getroffen, maakt de voorzieningenrechter een afweging tussen het belang van het bestuursorgaan, in dit geval verweerder, bij de uitvoering van het besluit en het belang van een verzoeker bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Niet in geschil is dat verzoeker in de periode in geding zich een aantal malen in het buitenland heeft bevonden om werk te zoeken. De vraag is of verzoeker zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door hier geen melding van te maken bij verweerder. De voorzieningenrechter overweegt dat zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit blijkt dat verzoeker toestemming had van verweerder om naar het buitenland te gaan. Evenmin bevindt zich in het dossier het verslag van het telefonische gesprek tussen verzoeker en zijn klantmanager op 6 juli 2021. In het rapport van bevindingen van 16 september 2021 staat evenwel als aandachtspunt vermeld dat verzoeker heeft verklaard dat hij zich zowel in het binnenland als het buitenland bij voetbalclubs moet presenteren om een nieuw contract in de wacht te slepen. Hieruit blijkt in ieder geval dat verweerder op de hoogte was van de plannen van verzoeker om werk te zoeken in binnen- en buitenland. Alleen hierom al kan verweerder verzoeker niet verwijten dat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. De vraag of verzoeker in het telefonische gesprek met zijn klantmanager op 6 juli 2021 op de hoogte is gesteld van de voorwaarden en de verplichtingen die zijn verbonden aan een verblijf in het buitenland met behoud van een WW-uitkering, blijft vooralsnog onbeantwoord. Omdat verweerder niet op de zitting is verschenen, kon daarop door verweerder ook geen toelichting worden gegeven.
6. Verweerder is al gestart met de invordering van het terug te vorderen bedrag en de boete terwijl nog niet op de bezwaren van verzoeker is beslist. Gelet hierop en wat hiervoor onder 5. is overwogen, laat de voorzieningenrechter het belang van verzoeker bij het schorsen van de bestreden besluiten zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij een onmiddellijke uitvoering daarvan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe. Het toewijzen van het verzoek betekent dat de bestreden besluiten worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op de bezwaren.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht en de door hem gemaakte proceskosten vergoedt. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting)met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst de bestreden besluiten tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op
de bezwaren;
- draagt verweerder op het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- in deze
zaken aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.518,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2022.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.