Eiser had meerdere exploitatievergunningen voor verschillende vaartuigen, oorspronkelijk verleend voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 4 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam deze vergunningen ambtshalve gewijzigd naar vergunningen voor bepaalde tijd met diverse einddata.
Eiser maakte bezwaar tegen deze omzetting, dat door het college op 10 februari 2021 ongegrond werd verklaard. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank behandelde dit beroep gelijktijdig met andere soortgelijke beroepen van Amsterdamse reders die zich eveneens verzetten tegen de omzetting van hun vergunningen.
Na een regiezitting en een meervoudige zitting in november 2021, waarbij de gezamenlijke beroepsgronden werden besproken, oordeelde de rechtbank op 22 februari 2022 dat de omzetting van exploitatievergunningen van onbepaalde naar bepaalde tijd niet in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.