3.3.Het oordeel van de rechtbank
Op 29 oktober 2017 worden bij een tramhalte op de Bos en Lommerweg te Amsterdam de drie aangeefsters [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] rond 5.30 uur benaderd door een man die in een blauwe Peugeot rijdt. Deze auto blijkt later op naam van [persoon 4] te staan, de broer van verdachte.
De man rijdt eerst een paar rondjes om aangeefsters heen en zegt dat hij hen wel weg wil brengen. De aangeefsters zijn niet gediend zijn van deze toenaderingen en laten dat merken. Toch stapt de man op enig moment uit de auto en komt hij naar aangeefsters toe. Uit de verklaringen van aangeefsters blijkt dat de man dicht bij hen komt staan. Hij pakt [persoon 1] en [persoon 2] vast bij hun zij en vervolgens wrijft hij met een vloeiende beweging met zijn hand over de schouder tot aan de rechterknie van [persoon 1] die tegen hem zegt dat hij haar niet moet aanraken en dat zij hem niet eens kent. [persoon 2] voelt de hand van de man in haar zij en hij streelt haar langs haar zij steeds verder naar beneden vlak totdat hij bij haar heup en billen is en [persoon 3] roept dat hij moet ophouden met haar vriendinnen aan te raken.
De man wordt onmiddellijk boos en agressief en duwt het hoofd van [persoon 1] hard naar achteren, waardoor zij met haar hoofd tegen het bushokje aankomt.
Vervolgens geeft hij [persoon 3] , die tussen hem en [persoon 1] in is gaan staan een vuistslag in haar gezicht. Er volgt een worsteling en [persoon 3] wordt door de man op de grond geduwd waar zij nog een vuistslag van hem in haar gezicht krijgt. Ook [persoon 2] krijgt een duw in haar gezicht.
Hierna loopt de man naar de overkant van de straat waar hij een gesprek heeft met een jongen op een scooter. Op dat moment komt er een politieauto aanrijden en de meisjes schreeuwen om hulp naar de verbalisant. [persoon 3] vertelt de verbalisant dat zij is geslagen door de jongen aan de overkant van de straat. De man ziet de politieagent, rent weg en weet op dat moment te ontkomen.
Als de politie later bij de auto waar de man in reed gaat kijken blijkt er aan de bestuurderskant, op de vloer bij de pedalen, een vuurwapen te liggen.
Aan de hand van het signalement dat de drie aangeefsters van de man opgeven en het feit dat de auto van [persoon 4] bij de bushalte is aangetroffen vermoedt verbalisant [verbalisant] dat de broer van [persoon 4] , de verdachte [verdachte] , degene is die de aangeefsters heeft aangerand en mishandeld. [verbalisant] kent verdachte door zijn werk in Amsterdam-West en als hij tijdens haar aangifte op 29 oktober 2017 aan [persoon 1] een foto van verdachte toont is zij zeer stellig in haar herkenning van verdachte als degene die haar en haar vriendinnen heeft lastiggevallen.
Een kleine drie maanden later wordt ook aan [persoon 2] en [persoon 3] een foto van verdachte getoond bij een meervoudige fotoconfrontatie, een zogenaamde FOSLO. Zowel [persoon 2] als [persoon 3] herkennen verdachte uit tien geselecteerde foto’s.
Verdachte wordt vervolgens op 13 februari 2018 aangehouden en ontkent dat hij iets met de aanranding en mishandeling van aangeefsters te maken heeft gehad.
De raadsman vindt dat de herkenning van verdachte niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden en daarom onbetrouwbaar is. De rechtbank ziet dit anders.
De drie aangeefsters hebben afzonderlijk van elkaar verdachte herkend als de dader. [persoon 1] heeft verdachte direct na het incident herkend toen haar een foto van verdachte werd getoond. Dat de aangeefsters de herkenning van verdachte door [persoon 1] na 29 oktober 2017 met elkaar besproken hebben kan de rechtbank niet uitsluiten. De rechtbank vindt het evenwel niet voor de hand liggen dat de informatie die [persoon 1] mogelijk met de andere twee aangeefsters heeft gedeeld drie maanden later heeft geleid tot de positieve herkenning van verdachte door [persoon 2] en [persoon 3] . [persoon 2] en [persoon 3] hebben, toen zij op 25 januari 2018, afzonderlijk van elkaar, deelnamen aan de meervoudige fotoconfrontatie ook een andere foto van verdachte te zien gekregen dan de foto die [persoon 1] op 29 oktober 2017 heeft gezien.
De rechtbank vindt verder, gelet op het opgegeven signalement door de aangeefsters, dat de selectie van de foto’s die aan [persoon 2] en [persoon 3] zijn getoond en die zich ook in het dossier bevinden, niet zo zijn samengesteld dat alleen verdachte en één andere persoon aan het opgegeven signalement voldoen, zoals gesteld door de raadsman.
Dat [persoon 2] en [persoon 3] met elkaar hebben gesproken tussen hun afzonderlijke deelnames aan de fotoconfrontaties vindt de rechtbank niet aannemelijk en dit blijkt ook niet uit het dossier. De rechtbank gaat ervan uit dat beide aangeefsters op de daarvoor voorgeschreven wijze en begeleid door professionele politieagenten aan de fotoconfrontatie hebben deelgenomen en komt tot de conclusie dat de herkenningen van alle drie de aangeefsters betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs.
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
Ten aanzien van het overige bewijs in het dossier overweegt de rechtbank dat verdachte‘s broer, [persoon 4] , heeft verklaard dat hij op de pleegdatum zijn auto had geparkeerd op de [adres 2] bij het huis van hun moeder. Verdachte verbleef in die tijd ook met enige regelmaat in deze woning en de rechtbank acht het niet ondenkbaar dat verdachte de auto van zijn broer (stiekem) heeft meegenomen en er die nacht mee is gaan rijden. De rechtbank neemt hierbij ook in overweging dat een van de aangeefsters niet aansloeg op de aanwezigheid van de broer van verdachte toen zij samen, vlak na het incident, in de wachtkamer van het politiebureau aanwezig waren. Dat er geen nader onderzoek is gedaan naar andere mogelijke betrokkenen, zoals gesteld door de raadsman, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders nu alle drie de aangeefsters verdachte als de dader hebben aangewezen.
Op basis van de aangiften en de overtuigende herkenningen door de aangeefsters komt de rechtbank tot de conclusie dat bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die [persoon 1] en [persoon 2] heeft aangerand en [persoon 3] en [persoon 2] heeft mishandeld.
Beoordeling ontuchtige handelingen
De rechtbank is van oordeel dat het vastpakken van de aangeefsters bij hun zij en het van boven naar onder strelen over de zijkant van hun lichaam moet worden aangemerkt als ontuchtig. Verdachte heeft de handelingen, in onderlinge samenhang bezien en naar hun uiterlijke verschijningsvorm, met een seksuele intentie verricht, waardoor zij in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Verdachte was immers een volstrekt onbekende man voor de aangeefsters. Zij hadden verdachte voor dergelijk gedrag geen toestemming gegeven. Sterker nog, aan verdachte is duidelijk te kennen gegeven dat de aangeefsters niet door hem aangeraakt wilden worden en dat hij weg moest gaan.
Vrijspraak ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad en spreekt hem daarvan vrij. Er is geen foto van de vindplaats in de auto en verder forensisch onderzoek naar sporen op het vuurwapen ontbreekt. Door deze onvolledigheid in het dossier kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat verdachte wetenschap van het vuurwapen heeft gehad en dat het binnen zijn machtssfeer is geweest.