ECLI:NL:RBAMS:2021:8107
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak verdachte
De rechtbank Amsterdam heeft op 6 december 2021 uitspraak gedaan in een zaak betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie stelde dat de verdachte als voormalig bestuurder van een bedrijf wederrechtelijk voordeel had behaald door het ontvangen en gebruiken van digestaat als meststof, waarvoor een betaling werd ontvangen. Het totale voordeel werd geraamd op €63.750.
De verdediging betwistte dat er digestaat was ontvangen of betaald, waardoor de ontnemingsvordering volgens haar moest worden afgewezen. Na meerdere schriftelijke conclusies en zittingen heeft de officier van justitie de vordering beperkt tot een derde van het bedrag, €21.250, inclusief rente.
De rechtbank oordeelde echter dat niet bewezen was dat het bedrijf digestaat of een andere stof als meststof had ontvangen. Dit betekende dat de grondslag voor de ontnemingsvordering verviel. Gezien de verdachte in de hoofdzaak was vrijgesproken, wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis hebben gewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af omdat niet is bewezen dat digestaat is ontvangen, waarna verdachte in de hoofdzaak is vrijgesproken.