In deze ontnemingszaak vordert het Openbaar Ministerie de betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald uit strafbare feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld. De onderliggende strafzaak betrof medeplichtigheid aan oplichting van een bedrijf in de periode augustus-september 2016.
De rechtbank weegt de vorderingen en standpunten over verschillende posten van vermeend voordeel. Het onterecht ontvangen salaris van €1.695,99 wordt erkend als wederrechtelijk verkregen voordeel. Andere posten, zoals het ter beschikking stellen van een bedrijfsrekening en betrokkenheid bij oplichting van factoringbedrijven en goederen, worden niet toegewezen wegens onvoldoende bewijs en het ontbreken van een bewezen strafbare betrokkenheid.
De rechtbank benadrukt dat voor ontneming voldoende aanwijzingen nodig zijn die buiten redelijke twijfel strafbare feiten aantonen, conform een arrest van de Hoge Raad. Uiteindelijk wordt het te ontnemen bedrag vastgesteld op €1.695,99, gelijk aan het bedrag dat in de strafzaak is toegewezen. Veroordeelde wordt verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.