Verzoekster, een besloten vennootschap, verzocht de rechtbank om homologatie van een akkoord in het kader van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA). Er was een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld over de toepasselijkheid van de WHOA op achterstallige pensioenpremies van bedrijfstakpensioenfondsen. Deze vraag leidde tot uitstel van de homologatieprocedure.
Om de impasse te doorbreken, sloten verzoekster en het Pensioenfonds een vaststellingsovereenkomst waarin het Pensioenfonds haar bezwaren introk onder voorwaarde van homologatie en zekerheidstelling door de bestuurder van verzoekster. De rechtbank oordeelde dat homologatie niet in de weg staat aan de prejudiciële vraag en dat de wijziging van het akkoord niet in strijd is met de wet.
De rechtbank wees het primaire verzoek tot homologatie van het gewijzigde akkoord af wegens gebrek aan wettelijke grondslag, maar kende het subsidiaire verzoek tot homologatie van het oorspronkelijke akkoord toe. De rechtbank stelde vast dat verzoekster zich in een toestand bevindt waarin zij haar schulden niet kan voldoen, dat het akkoord aan de wettelijke vereisten voldoet en dat nakoming voldoende is gewaarborgd.
De rechtbank concludeerde dat homologatie noodzakelijk is voor het voortzetten van de bedrijfsvoering van verzoekster en dat geen bezwaar van schuldeisers meer bestaat. De uitspraak werd op 21 december 2021 gedaan door de rechtbank Amsterdam.