Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
4.De beoordeling
1.016,00
Rechtbank Amsterdam
De werknemer trad in 2008 in dienst bij Jefferson Wells en meldde in 2015 problemen met de privacybescherming binnen de organisatie. Na verslechtering van de arbeidsrelatie meldde zij zich in 2019 ziek. In 2019 startten partijen een mediationtraject om het vertrouwen te herstellen, dat echter in 2020 zonder resultaat eindigde. De mediationovereenkomst bevatte een strikte geheimhoudingsplicht.
In 2021 startte Jefferson Wells een ontbindingsprocedure tegen de werknemer. De werknemer verzocht de rechtbank haar te ontheffen van de geheimhoudingsplicht, zodat zij het mediationtraject als verweer kon gebruiken. De werkgever en mediator verzetten zich hiertegen, stellende dat de geheimhouding essentieel is voor mediation.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de geheimhoudingsplicht een kernbepaling is die alleen bij urgente noodsituaties kan worden opgeheven, zoals bij criminele activiteiten of ernstige schade aan kwetsbaren. De situatie van baanverlies volstaat niet. Daarom wees de rechtbank het verzoek af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot ontheffing van de geheimhoudingsplicht af en veroordeelt de werknemer in de proceskosten.