Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:6453

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
11 november 2021
Zaaknummer
13/845254-16 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak oplichting

De officier van justitie diende een vordering in tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €356.500,00, gebaseerd op de verdenking van oplichting. Deze vordering werd gelijktijdig met de strafzaak behandeld.

De strafzaak leidde tot een vrijspraak van de verdachte op 2 augustus 2021 voor de oplichtingsbeschuldigingen. Naar aanleiding hiervan maakte het Openbaar Ministerie op 24 augustus 2021 kenbaar de ontnemingsvordering te willen laten afwijzen. Tijdens de terechtzitting op 22 oktober 2021 verzocht de officier van justitie de rechtbank dan ook de ontnemingsvordering af te wijzen.

De rechtbank overwoog dat het ontnemingsbedrag was gebaseerd op het rapport van 11 september 2018, dat verband hield met de oplichtingsfeiten waarvoor de verdachte was vrijgesproken. Gezien de onherroepelijke vrijspraak kon de ontnemingsvordering niet worden toegewezen. De rechtbank wees daarom de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens vrijspraak van het onderliggende feit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/845254-16 (ontneming)
Datum uitspraak: 5 november 2021
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/845254-16, tegen:
[Beschuldigde] ,
geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[BRP-adres] .

1.Onderzoek op de zitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2021.

2.Vordering en grondslag daarvan

De officier van justitie heeft op 20 oktober 2020 een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank. De vordering ziet op een bedrag van € 356.500,00. Dit bedrag aan voordeel is volgens het Openbaar Ministerie ontstaan doordat [Beschuldigde] zich zou hebben schuldig gemaakt aan oplichting, één van de beschuldigingen die is aangebracht in de bijbehorende strafzaak.
De strafzaak en de ontnemingszaak zouden gelijktijdig worden behandeld op 8, 9 en 11 juni 2021, maar op verzoek van de officier van justitie is de behandeling van de ontnemingszaak aangehouden tot 22 oktober 2021.
[Beschuldigde] is in de strafzaak bij vonnis van 2 augustus 2021 vrijgesproken van de beschuldigingen die zien op oplichting.
Op 24 augustus 2021 heeft het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt voornemens te zijn om afwijzing van de vordering te verzoeken omdat [Beschuldigde] onherroepelijk is vrijgesproken van de beschuldigingen die zien op oplichting.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verzocht de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk voordeel af te wijzen.
Aan de vordering tot ontneming ligt onder andere het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 september 2018 ten grondslag. Het rapport is opgemaakt naar aanleiding van de beschuldigingen die zien op oplichting in de strafzaak. Omdat [Beschuldigde] op 2 augustus 2021 is vrijgesproken van oplichting, op basis waarvan het ontnemingsbedrag is gebaseerd, moet de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgewezen.

3.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. M. Smit en E.J. Weller, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2021.