De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 oktober 2021 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Bonn. De verdachte, een Canadese staatsburger zonder vaste verblijfplaats in Nederland, wordt verdacht van oplichting waarbij een bedrag van €302.157,16 werd geïnd zonder de vereiste tegenprestatie te leveren.
De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam was omdat de rol van de verdachte onvoldoende duidelijk werd omschreven. De officier van justitie stelde daarentegen dat het EAB voldoende informatie bevatte en dat het specialiteitsbeginsel was gewaarborgd. De rechtbank oordeelde dat het EAB een duidelijke beschrijving bevat van het strafbare feit, inclusief tijdstip, plaats en betrokkenheid van de verdachte, en dat het specialiteitsbeginsel is gerespecteerd.
Verder stelde de rechtbank vast dat het strafbare feit op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat en dat de straf onder Duits recht een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar kan opleveren, waardoor onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kan blijven. Er waren geen weigeringsgronden of andere belemmeringen voor overlevering.
Daarom besloot de rechtbank de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe te staan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.