Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 2 februari 2021
[eiser] ,
- mr. De Wit;
- [naam] (directeur [gedaagde] ) met mr. Ronday.
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het door eiser ingestelde verzet tegen een verstekvonnis centraal. Eiser had verzet ingesteld na een verstekvonnis dat op 2 november 2020 was gewezen. De kernvraag was of het verzet tijdig was ingesteld binnen de wettelijke termijn van vier weken na een daad van bekendheid met het vonnis.
De voorzieningenrechter overwoog dat de verzettermijn pas gaat lopen na een daad van bekendheid met het verstekvonnis. Hoewel op 12 november 2020 een exploot was betekend, was onduidelijk of dit betrekking had op het verstekvonnis. De gebeurtenissen van 17 december 2020, waarbij eiser een exploot ontving met duidelijke verwijzing naar het verstekvonnis en ontruiming, vormden een duidelijke daad van bekendheid.
De verzettermijn begon daarom op 17 december 2020 en liep af op 14 januari 2021. De verzetdagvaarding was echter pas op 25 januari 2021 uitgebracht, waardoor eiser niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd eiser veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde.
Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in het verzet wegens overschrijding van de verzettermijn.