De zaak betreft een geschil tussen erfgenamen over de verdeling van een nalatenschap waarbij de wettelijke verdeling is toegepast. De erflater was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en had in zijn testament bepaald dat de langstlevende echtgenote de goederen van de nalatenschap verkrijgt, terwijl de overige erfgenamen een geldvordering op haar hebben.
Eiser, zoon van de erflater, vorderde dat zijn stiefbroer, mede-erfgenaam en koper van de woning uit de nalatenschap, de volledige koopsom ter beschikking stelt aan de nalatenschap of de langstlevende moeder. De stiefbroer voerde niet-ontvankelijkheid aan omdat de nalatenschap was afgewikkeld en eiser slechts een niet-opeisbare vordering op moeder heeft.
De rechtbank oordeelde dat door toepassing van de wettelijke verdeling de langstlevende echtgenote de goederen van de nalatenschap rechtstreeks verkrijgt, waardoor er geen onverdeelde nalatenschap of gemeenschap bestaat. Eiser heeft geen voldoende belang om namens de gemeenschap, moeder of zichzelf de vorderingen in te stellen. Ook het gelegde beslag werd opgeheven wegens gebrek aan belang en geen misbruik van bevoegdheid.
De rechtbank verklaarde eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en veroordeelde hem het beslag binnen zeven dagen op te heffen. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierelatie.