Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:5693

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 september 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
1330136420
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte woninginbraak wegens onvoldoende bewijs ondanks DNA-eeneiige tweeling

Op 13 oktober 2020 vond een woninginbraak plaats te Amsterdam waarbij onder meer een Apple Macbook en sieraden werden weggenomen. Camerabeelden tonen vier mannen die de woning binnendringen en goederen meenemen. DNA-sporen werden aangetroffen op kledingstukken in een scooterbuddy, maar het DNA kon niet specifiek aan verdachte worden toegeschreven vanwege zijn eeneiige tweelingbroer.

De rechtbank stelde vast dat de personen op de camerabeelden van de woning en een nabijgelegen garage dezelfde waren, maar kon niet met zekerheid vaststellen of verdachte of zijn tweelingbroer betrokken was. Herkenningen van camerabeelden waren niet specifiek genoeg en andere bewijsmiddelen, zoals verklaringen en het gebruik van een scooter op naam van verdachte, boden geen sluitend bewijs.

De rechtbank concludeerde dat het wettig en overtuigend bewijs ontbrak om verdachte te verbinden aan de woninginbraak en sprak hem daarom vrij. Dit vonnis werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 30 september 2021.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de woninginbraak heeft gepleegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.301364.20
Datum uitspraak: 30 september 2021
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende op het adres [adres 1] .
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 16 september 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N. Hendriksen, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door de ouders van verdachte en mevrouw J. Ibrahim, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 oktober 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in de voor de
nachtrust bestemde tijd, omstreeks 02.45 uur, tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen, in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ),
- een Macbook (merk Apple, serienummer FVFV9K6XJ1WK) en/of een (bijbehorende) laptophoes voor voornoemde Macbook en/of
- een of meerdere (gouden en/of zilveren) siera(a)d(en) en/of pen(nen) en/of een (bruine)
sieradendoos en/of een (zilverkleurig) horloge,
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde, te weten aan [persoon] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of
verbreking en/of inklimming;
(artikel art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Waardering van het bewijs

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.
Inleiding
In nacht van 13 oktober 2020, omstreeks 02:45 uur, worden bij een inbraak in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam onder meer een Apple Macbook, een sieradendoos en verscheidene sieraden weggenomen. Uit de camerabeelden bij voornoemde woning blijkt dat rond 02:37 uur twee mannen de voortuin van de woning betreden (hierna: NN1 en NN2). NN1 snijdt met een stanleymes langs de rand van de voordeur, waarna NN1 en NN2 weer uit beeld verdwijnen. Vervolgens parkeren rond 02:42 uur vier mannen op twee scooters, waaronder NN1 en NN2, schuin voor de woning. NN1 en NN2 lopen opnieuw richting de woning. NN1 heeft nu een voorhamer vast, die hij aan NN2 geeft. NN2 slaat vervolgens ongeveer zestien keer met de voorhamer op het glas van de voordeur van de woning. NN1 trapt twee keer op de ruit en maakt het gat in de deur groter. Op de beelden is te zien dat NN1 een jas draagt waarop aan de achterkant een opvallend detail, te weten een scheur te zien is. Om 02:43 uur betreden NN1 en NN2 de woning. Zij verlaten de woning om 02:45 uur, waarbij NN2 een voorwerp vastheeft dat het formaat heeft van een laptop. NN1 volgt met een voorwerp dat lijkt op een kist. NN1 en NN2 rennen met de goederen terug naar de twee anderen (hierna: NN3 en NN4) die staan te wachten met de scooters en springen bij hen achterop, waarna de scooters wegrijden.
De daders zouden zowel vóór als na de woninginbraak te zien zijn op camerabeelden van de [garage] te Amsterdam. Op deze beelden is te zien dat vier mannen met twee scooters diezelfde nacht, omstreeks 02:01 uur, kort na elkaar de [garage] verlaten. Een uur later, om 03:02 uur, komt één van hen (hierna: NN2) terug de garage in. Hij heeft een donkerkleurig voorwerp vast dat lijkt op een laptophoes en een donkerkleurig doosje. Een ander (hierna: NN4) betreedt de garage met een scooter. Om 03:04 betreden nog twee anderen (hierna: NN1 en NN3) de garage, waarbij NN1 een bruine kist vasthoudt en NN3 een scooter.
Zijn de personen op de camerabeelden van de [adres 2] dezelfde personen als die op de camerabeelden van de [garage] ?
Uit het proces-verbaal van bevindingen ‘vergelijking signalement verdachten op camerabeelden’ volgt dat de signalementen van NN1, NN2 en NN3 die te zien zijn op de camerabeelden van de [adres 2] overeenkomen met de signalementen van respectievelijk NN1, NN2 en NN3 in de [garage] . NN4 is niet goed in beeld gekomen. Op de beelden is wel te zien dat het postuur van NN4 overeen kwam op de beelden van de [garage] en op de beelden van de plaats delict. Voorts hebben NN1 en NN2 in de garage op het tijdstip na de inbraak goederen bij zich die overeenkomsten vertonen met de weggenomen goederen.
In het proces-verbaal van bevindingen ‘vermoedelijke route daders’ is aan de hand van een reconstructie van verschillende camerabeelden (van de woning, de [garage] , de Albert Heijn [straatnaam 1] en de CCTR-camera [straatnaam 1] / [straatnaam 2] ) de tijdlijn van de vermoedelijke route van de daders nauwkeurig uiteengezet. Geconcludeerd wordt dat het mogelijk en zeer aannemelijk is dat de daders van de inbraak woning op de [adres 2] vanaf de [garage] zijn vertrokken en na het incident weer naar de [garage] zijn gereden.
De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met het tijdverloop gelegen tussen het vertrek uit de garage, de inbraak en de terugkeer in de garage, vast dat de personen NN1, NN2, NN3 en NN4 die te zien zijn op de camerabeelden van de [adres 2] en op de camerabeelden van de [garage] dezelfde personen zijn en dat zij betrokken zijn bij de inbraak.
Behoort verdachte tot de personen die de woninginbraak hebben gepleegd?
De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken was bij de woninginbraak en dus één van deze personen (NN1, NN2, NN3 of NN4) is geweest. Op het eerste gezicht zijn er wel een aantal aanwijzingen in de richting van verdachte.
Er heeft DNA-onderzoek plaatsgevonden op een jas en een bivakmuts die in de buddy van één van de bij de woninginbraak gebruikte scooters zijn aangetroffen. Er is blijkens een NFI-rapport DNA van verdachte op de jas en bivakmuts aangetroffen.
Verdachte is de helft van een ééneiige tweeling samen met zijn broer en medeverdachte [medeverdachte 1] .
De rechtbank is gebleken [1] dat er bij het forensische DNA-onderzoek door deskundigen voor het verkrijgen van een DNA-profiel wordt gekeken naar vijftien gebieden van het DNA. Deze gebieden worden loci genoemd en verschillen sterk van persoon tot persoon. Het DNA-profiel van een persoon is daardoor altijd extreem zeldzaam.
Uitzondering op deze regel zijn ééneiige tweelingen, zij hebben identieke standaard DNA-profielen. en zijn derhalve op basis van hun DNA niet te onderscheiden. Als een DNA-profiel van een spoor bij een vergelijking in de databank een match oplevert met een persoon die de helft is van een ééneiige kan het spoor op basis van DNA niet worden toegeschreven aan de ene of de andere helft van de tweeling.
Met andere woorden: het aangetroffen DNA op de jas en de muts kan zowel van verdachte als van zijn tweelingbroer zijn.
De camerabeelden van de [garage] zijn ter herkenning aan diverse verbalisanten voorgelegd. Van de herkenningen zijn drie afzonderlijke proces-verbalen van herkenningen opgemaakt. [2] NN3 wordt op de camerabeelden van de [garage] door drie verbalisanten herkend als één van de tweelingbroers [familienaam] . Er is dus geen sprake van een specifieke herkenning van verdachte.
Er zijn geen camerabeelden waarop beide broers tegelijk zijn te zien. Evenmin liggen er proces-verbalen van herkenningen van verdachte NN2. Er kan op grond van de camerabeelden dus niet worden vastgesteld dat beide tweelingbroers aanwezig waren.
Op grond van de overige bewijsmiddelen kan evenmin met zekerheid worden vastgesteld dat beide broers aanwezig waren bij de woninginbraak. Hoewel uit de inhoud van het getapte gesprek met de taxichauffeur het beeld ontstaat dat in diezelfde nacht de tweelingbroers vlakbij hun woning zijn afgezet, wordt dit ontkracht door de verklaring van de taxichauffeur dat hij een Marokkaanse en een Nederlandse jongen in zijn taxi had zitten. Verder worden op de camerabeelden waarop te zien is dat twee personen door de taxichauffeur worden afgezet de personen weliswaar herkend als NN2 en NN3, maar ze worden niet herkend als de tweelingbroers [familienaam] . Gelet op het vorenstaande bestaat er geen directe link naar de aanwezigheid en betrokkenheid van verdachte bij de woninginbraak. Het feit dat één van de bij de inbraak gebruikte scooters op naam van verdachte staat is ook onvoldoende om vast te stellen dat verdachte die avond zijn scooter heeft gebruikt voor de inbraak. Ook het zogenaamde OVC-gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] op 24 december 2020 in de bus van arrestantenvervoer van Amsterdam naar de Penitiaire Inrichting [naam PI] maakt dit niet ander. Verdachte vertelt dat ze niet kunnen zeggen dat ze een inbraak gepleegd hebben omdat er geen bewijs is. [medeverdachte 2] zegt dat hij niets genakt, ofwel, gestolen heeft. Deze verklaring van verdachte is inhoudelijk onvoldoende concreet om als bewijsmiddel van directe betrokkenheid van verdachte bij de inbraak op de [adres 2] te dienen. De rechtbank concludeert dat op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet is bewezen dat verdachte één van de daders van de woninginbraak is geweest.

4.Beslissing

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.J.M. Marseille, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. I.M. Nusselder en L.Z. Achouak el Idrissi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2021.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen