ECLI:NL:RBAMS:2021:5118

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 september 2021
Publicatiedatum
15 september 2021
Zaaknummer
AWB 21/822
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onduidelijke informatie over vergunning

De heffingsambtenaar legde op 16 januari 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser omdat zijn auto op 13 januari 2021 zonder geldige vergunning geparkeerd zou hebben gestaan. Eiser had op 4 januari 2021 een bewonersvergunning aangevraagd die op 13 januari 2021 werd toegekend, met een factuur die een ingangsdatum van diezelfde dag vermeldde. Eiser betaalde de factuur direct en meende dat de vergunning daarmee direct geldig was.

De rechtbank constateerde dat de toekenningsbrief en factuur tegenstrijdige informatie bevatten over de activering van de vergunning. Hoewel werd vermeld dat de vergunning na betaling binnen drie werkdagen geactiveerd zou worden, stond er ook een duidelijke begin- en eindtijd op de factuur. Hierdoor was verwarring over de ingangsdatum begrijpelijk en navolgbaar.

De heffingsambtenaar had niet voldaan aan zijn informatieplicht, waardoor de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de naheffingsaanslag en de bestreden uitspraak en beval vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiser.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens onvoldoende informatie over de ingangsdatum van de vergunning.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/822

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: C.D.H. Helder).

Procesverloop

Op 16 januari 2021 heeft de heffingsambtenaar aan [eiser] een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met een uitspraak op bezwaar van 4 februari 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2021. [eiser] is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 13 januari 2021 om 18.19 uur is tijdens een controle geconstateerd dat de auto van [eiser] geparkeerd stond ter hoogte van de [adres] te Amsterdam, terwijl hiervoor geen of te weinig parkeergeld was betaald. De heffingsambtenaar heeft daarom aan [eiser] een naheffingsaanslag opgelegd.
2. [eiser] is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert aan dat hij op 4 januari 2021 een bewonersvergunning heeft aangevraagd. Op 13 januari 2021 is de vergunning aan [eiser] toegekend. Hierbij is een factuur verzonden waarin staat vermeld dat de parkeervergunning op 13 januari 2021 om 12.38 uur ingaat. Volgens [eiser] heeft hij de factuur direct op 13 januari 2021 betaald en volgens het afschrift was het betaalde bedrag op 13 januari 2021 om 14.33 uur bij de ontvanger. Volgens [eiser] heeft hij dus in zijn vergunningsgebied geparkeerd toen hij al een vergunning had. Ook voert [eiser] aan dat sprake is van een motiveringsgebrek in de bestreden uitspraak, nu de heffingsambtenaar niet inhoudelijk op zijn bezwaargronden heeft gereageerd.
3. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat in de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet op de bezwaargronden van [eiser] is ingegaan. Dit punt is tussen partijen dus niet langer in geschil. Dit betekent dat aan de bestreden uitspraak een motiveringsgebrek kleeft en [eiser] in ieder geval zijn griffierecht terugkrijgt. De rechtbank zal hierna beoordelen of [eiser] ook op de andere punten gelijk krijgt.
4. De heffingsambtenaar heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uit de toekenningsbrief van 13 januari 2021, in combinatie met de factuur voldoende blijkt dat de vergunning van [eiser] nog geactiveerd moest worden. Dit activeren gebeurt door de vergunning te betalen. De vergunning wordt na betaling binnen drie werkdagen geactiveerd. Volgens de heffingsambtenaar staat dit duidelijk vermeld in de door [eiser] ontvangen toekenningsbrief en factuur. Dat [eiser] de gegevens heeft uitgelegd als zijnde dat de vergunning direct geldig was dient voor zijn rekening en risico te komen, aldus de heffingsambtenaar.
5. Anders dan de heffingsambtenaar vindt de rechtbank dat uit de gegevens in de factuur in combinatie met de toekenningsbrief niet duidelijk blijkt dat de bewonersvergunning maximaal drie werkdagen na betaling pas bruikbaar is. In de brief en de factuur staat weliswaar vermeld dat de vergunning nog geactiveerd moet worden en dat dit door betaling gebeurt, maar er wordt in de brief en de factuur ook tegenstrijdige informatie over de betalingstermijn verstrekt en in de factuur wordt duidelijk een begin- en eindtijd van de vergunning vermeld. Dat ergens in de brief en de factuur nog een zin staat opgenomen dat de vergunning binnen drie dagen na betaling ingaat, neemt niet weg dat verwarring over de ingangsdatum van de vergunning – gelet op het voorgaande – begrijpelijk is. Het standpunt van [eiser] dat hij ervan uitging tijdens de controle over een geldige parkeervergunning te beschikken, vindt de rechtbank gelet op het voorgaande dus begrijpelijk en navolgbaar. De rechtbank oordeelt dan ook dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte aan [eiser] opgelegd.
6. Het voorgaande betekent dat [eiser] gelijk krijgt. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag van 16 januari 2021.
7. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag van 16 januari 2021;
  • draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 49,- aan [eiser] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Oldekamp-Bakker, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.