ECLI:NL:RBAMS:2021:5094

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
15 september 2021
Zaaknummer
13/751055-21
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verzoek aanhouding prejudiciële vragen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 augustus 2021 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Circuit Court in Olsztyn. De verdachte werd via telehoren gehoord en bijgestaan door een advocaat en tolk. De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde diens Poolse nationaliteit.

Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar en één maand, waarvan nog ruim één jaar restte. De feiten betroffen bedreiging en meervoudige eenvoudige belediging, welke onder Nederlandse wetgeving strafbaar zijn. De rechtbank concludeerde dat aan de vereisten van dubbele strafbaarheid was voldaan en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren.

Hoewel de verdediging verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van prejudiciële vragen van het Ierse Supreme Court, oordeelde de rechtbank dat deze vragen niet relevant waren voor deze zaak, omdat het verzoek tot overlevering betrekking had op een straf die vóór 24 februari 2020 was opgelegd. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan.

De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is definitief, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751055-21
RK nummer: 21/3871
Datum uitspraak: 14 september 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2020 door
the Circuit Court in Olsztyn, II Criminal Department(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 augustus 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is, via telehoren gehoord en is bijgestaan door zijn advocaat,
mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgement of the Circuit Court in Olsztyn, II Criminal Department, of 2 April 2019, file ref. no. II K 137/18.
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en één maand, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, drie maanden en 26 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

5.Artikel 11 OLW Pro

De advocaat heeft verzocht om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die door het Ierse Supreme Court zijn gesteld. Hoewel het hier een executie-EAB betreft, bestaat de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling de bescherming van een onafhankelijke rechter nodig heeft. In dat geval zijn de antwoorden op de prejudiciële vragen ook van belang in deze zaak.
Gelet op de aanleiding voor de te stellen Ierse prejudiciële vragen, is de rechtbank van oordeel dat de antwoorden daarvan slechts relevant zijn voor zaken waarin sprake is van een verzoek tot overlevering ten behoeve van de strafvervolging dan wel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een op of ná 24 februari 2020 opgelegde vrijheidsstraf. In de onderhavige zaak is hiervan geen sprake. Met de enkele gestelde mogelijkheid dat een Poolse rechter na de overlevering een beslissing zal nemen over de voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling kan de rechtbank geen rekening houden. De rechtbank zal dan ook niet het onderzoek aanhouden om de beantwoording van de genoemde prejudiciële vragen af te wachten en is dus van oordeel dat artikel 11 OLW Pro niet in de weg staat aan het toestaan van de overlevering.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 266 en 285 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Olsztyn, II Criminal Department(Polen).
Aldus gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en N.M. van Waterschoot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 september 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.