De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 juni 2021 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Tsjechië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de autoriteiten van Pilsen-City. De opgeëiste persoon werd verdacht van diefstal, waarbij de buit een geringe waarde had van €3,26. De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd tijdens de zitting.
De verdediging voerde aan dat overlevering in dit geval onevenredig zou zijn, gelet op de geringe ernst van het feit en het mogelijke verschil in strafoplegging tussen Tsjechië en Nederland. Tevens werd verzocht de zaak aan te houden om informatie te verkrijgen over de te verwachten straf.
De officier van justitie betoogde dat de beoordeling van evenredigheid primair aan de uitvaardigende autoriteit toekomt en dat uitzonderlijke omstandigheden die overlevering zouden moeten weigeren niet aanwezig zijn. De rechtbank volgde dit standpunt en verwierp het verweer van de verdediging.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.