Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding met bijlagen van 15 december 2020,
- het vonnis in incident van 3 februari 2021, en de daarin genoemde stukken,
- het proces-verbaal van de op 8 juni 2021 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde stukken, waaronder de schriftelijke spreekaantekeningen van de raadslieden,
- de brieven van de raadslieden van respectievelijk 16 juni 2021 en 23 juni 2021, met daarin telkens opmerkingen over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
zorgplicht bank
- ITG had er voordeel bij want er werd een schuld van € 135.000,- kwijtgescholden en zij was af van de relatie met Rabobank, waar zij geen vertrouwen meer in had;
- [naam 1] en [naam 2] in privé waren af van hun privé borgstellingen van in totaal € 800.000,- richting Rabobank, waar zij geen vertrouwen meer in hadden.
- niet te voorzien was welke risico’s de holdings zich op de hals haalden - in dit verband wijzen zij erop dat geen afspraken gemaakt zijn over of zij regres hebben op ITG;
- voor Rabobank voorzienbaar was dat [naam 3] ook privé borgtochten zou gaan vragen van de holdings waardoor de financiële druk op QW& c.s. en [naam 1] en [naam 2] gezamenlijk groter werd.
terme de grâcevan twee jaar, maar dat daarbij door de inkomens- en vermogenstoets en de daaruit volgende maximaal beschikbare draagkracht van de holdings een met die draagkracht corresponderend aflossingsschema zou zijn overeengekomen. Het ligt in de rede te verwachten dat het aflosschema enkele jaren langer zou hebben geduurd en de jaarlijkse en maandelijkse aflossingen dus lager zouden hebben gelegen.
€ 3.540,00 (2 punten, tarief V)