De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Tiergarten. De opgeëiste persoon werd verdacht van oplichting, een strafbaar feit volgens Duits recht met een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar.
De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege het ne bis in idem-beginsel, omdat de opgeëiste persoon al was vervolgd in Oostenrijk voor dezelfde feiten. De Duitse autoriteiten hadden het oorspronkelijke EAB ingetrokken en een nieuw EAB uitgevaardigd waarin alleen de feiten stonden waarvoor geen onherroepelijke veroordeling in Oostenrijk bestond.
De officier van justitie stelde dat de vervolging in Oostenrijk was stopgezet en dat er geen sprake was van dubbele vervolging. De rechtbank concludeerde dat de stopzetting van de vervolging in Oostenrijk een opportuniteitsbeslissing was en dat de overlevering daarom niet geweigerd hoefde te worden. Het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en er waren geen andere weigeringsgronden. De overlevering werd toegestaan.
De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.