Partijen sloten een opleidingsovereenkomst waarbij eiseres, cosmetisch arts en opleider, gedaagde in opleiding zou nemen tot cosmetisch arts. De opleiding werd voortijdig beëindigd na onenigheid over de samenwerking en contractvoorwaarden. Eiseres vorderde betaling van €30.000,- op grond van de opleidingsovereenkomst en subsidiair een redelijk loon op basis van een overeenkomst van opdracht.
De rechtbank oordeelde dat de opleidingsovereenkomst geen betalingsverplichting voor gedaagde bevatte, mede omdat partijen geen dienstverband zijn aangegaan en de terugbetalingsregeling niet van toepassing is. Wel kwalificeerde de opleidingsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht, waarbij eiseres als opdrachtnemer werkzaamheden verrichtte en recht heeft op een redelijk loon.
De rechtbank stelde het redelijk loon vast aan de hand van de genoten opleidingsdagen, trainingsuren en redelijke uurtarieven, rekening houdend met betwiste kosten en werkzaamheden die gedaagde voor eiseres verrichtte zonder vergoeding. Het totaal redelijk loon werd vastgesteld op €3.650,-. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot het wettelijke tarief en proceskosten gecompenseerd.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van dit bedrag vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten, en wees het meer of anders gevorderde af.