ECLI:NL:RBAMS:2021:365

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
5 februari 2021
Zaaknummer
AWB 20-7044 en 21-442
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een omgevingsvergunning voor het vellen van bomen in Amsterdam met betrekking tot lichtbeneming

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 2 februari 2021 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening en een beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. De vergunninghouder had een kapvergunning aangevraagd voor verschillende bomen, waaronder een esdoorn, die in eerste instantie was geweigerd. Na bezwaar kreeg de vergunninghouder alsnog toestemming voor de esdoorn, maar een buurtbewoner ging hiertegen in beroep. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vergunning voor de esdoorn onterecht was verleend, omdat de boom niet aan de achtergevel staat en lichtbeneming in dit geval geen geldige reden is voor vergunningverlening volgens het beleid van de gemeente. De voorzieningenrechter vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar van de vergunninghouder ongegrond, waardoor de oorspronkelijke weigering van de vergunning in stand bleef. Tevens werd bepaald dat de gemeente het griffierecht aan de verzoekster moest vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 20/7044 en AMS 21/442
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoekster], te [plaatsnaam] , verzoekster en eiseres, hierna: verzoekster,
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[vergunninghouder], te [plaatsnaam] , vergunninghouder
(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van twee bomen in de tuin van [adres] te [plaatsnaam] .
Bij besluit van 11 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van vergunninghouder gegrond verklaard en aan haar een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van drie bomen in de tuin van [adres] te [plaatsnaam] .
Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het besluit van 11 december 2020. De voorzieningenrechter merkt dit aan als een beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep staat geregistreerd onder zaaknummer AMS 21/442. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AMS 20/7044.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021 gelijktijdig met de behandeling van het verzoek in de zaak AMS 21/149. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door [naam] ( [functie] ) en [naam] ( [functie] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2. Op 5 juni 2020 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het vellen van vijf bomen in de tuin van [adres] . Verweerder heeft met het primaire besluit aan vergunninghouder een vergunning verleend voor het vellen van bomen 3 en 9. Een vergunning voor bomen 2, 10 en 11 zijn met datzelfde besluit geweigerd. [naam] ( [naam] ) had geadviseerd geen vergunning te verlenen voor bomen 2, 10 en 11 omdat deze bomen geen gebreken hebben en de genoemde redenen geen grond zijn voor verlening van de vergunning. Vergunninghouder heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit voor zover daarbij een vergunning is geweigerd voor boom 2 (de esdoorn). Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van vergunninghouder gegrond verklaard en alsnog een vergunning voor boom 2 verleend. Verweerder heeft hiertoe besloten, omdat de vergunninghouder in bezwaar heeft aangegeven dat sprake is van lichtbeneming door boom 2. Lichtbeneming kan volgens de beleidsregels wel een reden zijn voor vergunningverlening. De boom voldoet aldus verweerder aan het toetsingscriterium ‘ernstige lichtbeneming’, omdat deze vier meter uit de achtergevel staat en zestien meter hoog is.
3. Verzoekster voert tegen het bestreden besluit aan dat boom 2 niet ziek of dood is. De boom is beeldbepalend en zorgt voor een prettig straatbeeld en zuurstof. Daarbij huizen er (zeldzame) vogels en vleermuizen in de boom. Alleen het argument van lichtbeneming is volgens verzoekster onvoldoende om een vergunning te verlenen.
4. Een vergunning om een houtopstand te vellen of te doen vellen volgens artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening 2014 Amsterdam (de Bomenverordening) kan worden geweigerd in verband met:
a. de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;
b. de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;
c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
d. de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat het hier gaat om een zogeheten ‘kan-bepaling’. Dit betekent dat verweerder dus niet de plicht maar de bevoegdheid heeft om een omgevingsvergunning te weigeren als één van de bovengenoemde gronden zich voordoet. Wel zal iedere keer zal bij een aanvraag tot het vellen van een houtopstand een afweging moeten worden gemaakt van alle betrokken belangen, zowel de belangen die aanleiding voor de aanvraag vormen als de belangen tot behoud van de houtopstand [1] .
6. In bijlage 3 bij het Structuurplan voor Groen in [stadsdeel] 2012 staat onder lichtbenemening:
Aanvragen waar het om lichtbeneming gaat worden in principe niet afgegeven tenzij er
aantoonbaar zwaarwegende redenen zijn vóór kap. Uitzondering vormt het criterium als de boom te dicht op de gevel staat. In redelijkheid kan als beleidsregel worden gesteld dat als een boom te dicht op een gevel staat het wél aanleiding kan zijn om een kapvergunning te verlenen. Met dit laatste wordt de situatie bedoeld van een achtergevel met ramen, beide horend bij de achtertuin of gemeenschappelijke binnentuin van de aanvrager. De lichtbeneming wordt dan getoetst met behulp van de verhoudingsregel “1 staat tot 4”. Die regel houdt in dat een boom van 12 meter hoog minder dan drie meter uit de gevel van de desbetreffende woning moet staan voordat er gesproken kan worden van het toetsingscriterium ‘ernstige lichtbeneming’. Kapaanvragen in het kader van het lichtbenemingscriterium voor bomen of houtopstand die niet in achtertuinen of gemeenschappelijke binnentuinen en aan de achtergevel staan maar in de openbare ruimte, worden niet in behandeling genomen. In een dichtbebouwd gebied als stadsdeel [stadsdeel] zou dat
immers betekenen dat een groot deel van de bomen in de openbare ruimte zouden verdwijnen.
7. De voorzieningenrechter overweegt dat als verweerder een deugdelijke belangenafweging wil maken, verweerder de nodige kennis dien te vergaren over de relevante feiten en af te wegen belangen.
8. Ter zitting is gebleken dat boom 2 (stam en kroon) zichtbaar is vanaf de openbare weg en dicht tegen de
zijgevel en niet dicht tegen de
achtergevel van [adres] staat. In het advies van [naam] staat enkel de afstand tot de erfafscheiding (4 meter), afstand tot de gevel (4 meter) en de hoogte van de boom (circa 16 meter) aangegeven. Daaruit kan niet worden opgemaakt dat de boom in dat deel van de tuin staat dat grenst aan de straat en de zijgevel. Uit het bestreden besluit kan ook niet worden opgemaakt dat verweerder dit heeft onderkend. En dat had wel gemoeten, gelet op de formulering van de uitzondering in het beleid op grond waarvan verweerder tot vergunningverlening heeft besloten. Lichtbenemening vormt, gelet op het beleid zoals neergelegd in bijlage 3 bij het Structuurplan voor Groen in [stadsdeel] 2012 geen reden voor vergunningverlening vanwege de positie van boom 2 ten opzichte van de woning. De in het beleid genoemde uitzondering doet zich hier niet voor. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking om te worden vernietigd.
9. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het bezwaar van de vergunninghouder is ongegrond. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit en dit heeft tot gevolg dat het primaire besluit in stand blijft. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De vergunninghouder heeft twee gronden aangevoerd tegen de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor boom 2. Vergunninghouder heeft aangegeven dat boom 2 het daglicht tegenhoudt. Deze bezwaargrond levert geen grond op om tot vergunningverlening over te gaan. Dat is in rechtsoverweging 8 uiteengezet. Voorts heeft de vergunninghouder aangevoerd dat de toekomstverwachting van boom 2 minder is dan 10 jaar. Dit staat inderdaad aangegeven in het boomkwaliteitsonderzoek van 30 juni 2020 van [naam] , dat in opdracht van de vergunninghouder is opgesteld. Nijhuis adviseert boom 2 te verwijderen omdat deze boom het doorgroeien van andere bomen belemmert. Dit was al bekend ten tijde van het advies van [naam] . Het is daarom geen nieuw inzicht of argument. Bovendien doet deze bezwaargrond inzake de toekomstverwachting geen afbreuk aan de bevindingen en conclusie in het advies van [naam] . [naam] schrijft immers dat boom 2 een volgroeide esdoorn is zonder gebreken. De boom heeft natuurwaarde omdat nestel- en schuilgelegenheid wordt geboden voor vogels. De boom heeft waarde voor de leefbaarheid doordat hij schaduw biedt. [naam] heeft op basis van deze bevindingen geadviseerd geen vergunning voor boom 2 te verlenen. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder bij het primaire besluit de belangenafweging reeds heeft gemaakt.
10. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de vergunninghouder geen vergunning (meer) heeft voor het vellen van boom 2. Daarom is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dus af.
11. Wel bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
in de zaak AMS 21/442
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een omgevingsvergunning voor ‘boom 2’ is verleend;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar van vergunninghouder tegen het primaire besluit ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoekster te vergoeden;
in de zaak AMS 20/7044
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier. De beslissing is bekendgemaakt op 2 februari 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie de toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening.