Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
2.Beschuldiging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
plegervan die feiten moet worden aangemerkt. Volgens de raadsman is juist deze deelnemingsvorm bij beide feiten niet ten laste gelegd. Bij feit 1 primair is immers ‘medeplegen met de BV’s’ en subsidiair ‘opdracht geven dan wel feitelijk leiding geven aan feiten, gepleegd door de BV’s’, ten laste gelegd en bij feit 2 is ‘als bestuurder van de BV’s medeplegen met die BV’s’ ten laste gelegd. Deze ten laste gelegde deelnemingsvormen kunnen volgens de raadsman niet worden bewezen. Daarom moet verdachte van beide feiten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
5.Bewijs
6.Strafbaarheid van de feiten
7.Strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen
- een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling bij De Waag of soortgelijke instelling, meewerken aan middelencontrole, verbod op bepaalde werkzaamheden en gedragsvoorwaarden op het gebied van financiële administratie, werk en dagbesteding;
- een beroepsverbod;
- openbaarmaking van het vonnis.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
100 (honderd) dagen.
3 (drie) maanden.
3 (drie) jarenvast.
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
5 (vijf) jaren.