ECLI:NL:RBAMS:2021:2601
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H. Marcus
- J. Huber
- T. Arnoldussen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor aanwezigheid van verdovende middelen
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het opzettelijk vervoeren, bewerken of voorhanden hebben van verschillende hard- en softdrugs. De tenlastelegging betrof feiten op 2 februari 2021 in Amstelveen en een datum in Amsterdam.
De officier van justitie stelde dat verdachte wetenschap had van de verdovende middelen die in tassen bij medeverdachte waren aangetroffen en dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte had. De verdediging voerde aan dat de politie onrechtmatig de woning was binnengetreden en dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te verbinden aan de drugs.
De rechtbank oordeelde dat ook als het bewijsmateriaal uit de woning werd meegewogen, het dossier onvoldoende was om te bewijzen dat verdachte de verdovende middelen aanwezig heeft gehad. De tassen met drugs waren bij medeverdachte aangetroffen en het was niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat deze uit de woning van verdachte kwamen. Daarnaast bevatten de aangetroffen vellen geen verboden stoffen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
Verder werden diverse drugsgerelateerde spullen onttrokken aan het verkeer en het aangetroffen geldbedrag werd bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Het vonnis werd uitgesproken op 20 mei 2021 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de verdovende middelen aanwezig heeft gehad.